Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1680 verlieten zij hun vader; hij had genoten van hun bijzijn, doch liet ze in vrede trekken; dat was een zijner stelregels: „gasten gaens gesint" moet men niet tegenhouden. Zoo bleef de oude man dan alleen. In vroegere jaren had hij veel gesukkeld; telkens zien wij uit de onderschriften zijner verzen dat hij ziek is of zich onwel gevoelt. Nu was hij er doorheen gegroeid. Niet zonder eenigen trots getuigt hij van zich zeiven bij den ingang van zijn 87ste jaar: „nog schuddebol ik niet, nog trilt niet mijn hand." Bij de begrafenis van De Ruyter wandelde hij, toen een man van 80 jaar, vier uur lang achter den lijkstoet die volgens de toenmalige gewoonte door de straten trok. Eenige maanden vroeger had hij, gezegend met even goede beenen als zijn vriend Cats, Walcheren doorwandeld.1

Legt men het portret van den 27-jarigen Constantyn door Miereveld dat de Otia voorafgaat, naast het fraaie portret door Blooteling ongeveer eene halve eeuw later gemaakt naar Netscher's schilderij, dat de uitgave der Korenbloemen van 1672 siert, dan kost het eenige moeite dien stijven jonkman met zijn ietwat nuchter gezicht, met zijn opstaande haren, zijn opgestreken kattekneveltje, zijn rijk wambuis en hoogen Spaanschen pijpkraag te hervinden in den grijsaard met dat schrander achtbaar gelaat, waarlangs de fijne haren neergolven, die zoo rustig vóór ons zit in zijn eenvoudig maar deftig „habyt". Zeker, de oogen zijn nog even wijdgeopend, maar hoeveel zachter is hunne uitdrukking; het kneveltje is ver-

l Dagboek p. 79: «Valachriam partim perambulo."

Sluiten