Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tijd is niettemin verloopen soo hij placht,

Het jaer verstaet geen jock. Het Blad moet van de rijsen. Een windje, een rijpje van een Coortsje doet het rijsen: ' En dan, wie min of meer gewaeckt hebt, goeden nacht.

Of de vergankelijkheidsgedachte uit zich bij den aanvang van weer een nieuw jaar voor hem die er al zoovele heeft beleefd en terugziend zich afvraagt:

Waer zijn die zeventich en negen jaeren heenen?

Als nieuwe droomen elck verschenen en verdwenen,

Wanneer sal 't einde zijn ? hoe lang staet d'oude Boom

Op taeije wortelen en weert sich onder allen

Die 's daeghs by dusenden rondom hem neder vallen ? *

Doch dat einde zelf verwacht hij kalm, van de sterke vrees voor den dood, den „bitteren dood", die zich in ■de Middeleeuwsche literatuur zoo vaak openbaart, is bij dezen zoon der Hervorming en leerling der Stoa niets te bespeuren.

Anders dan de Génestet's „dwaze grijsaard" drijft hij goedig den spot met de ouden van dagen die het liedje van verlangen zingen in een stukje Willich Sterven:

Opblijven noemden wij 't in onze kindsche dagen:

Niet vroegh te bed te gaen, en 't was hard om verdragen

Te moeten rusten als de Sonn pas onder ging.

Die kindsheit komt weerom; is 't niet een wonder ding!

Hoe dat men ouder werdt, hoe m' ouder soekt te wesen,

Opblijven is de vreughd, te bedde gaen het vreesen

Van alle menschlickheit.3

1 In de vroeger en ook nu nog (in Zuid«Nederland) niet ongewone beteekenis van vallen.

« Ged. VIII, 171 (ao 1677); VII, 37 (a<> 16G4); VIII, 132 (a" 1676).

3 Ged, VII, 39 en een dergelijk stukje VIII, 57.

5

Sluiten