Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zou men nog kunnen verklaren uit de zucht om i» tien smaak te vallen van den „eerentfesten sinjeur Marcus de Vogelaer," voor wiens bruiloft dat stukje bestemd was. Doch in zijn Voorhout vindt men een dergelijk staaltje en nog een in een stuk van een jaar of zes later, getiteld Vryery, waar de dichter spreekt over 't eiland Delos, Apollo's geboorteplaats,

Als 't land daer Sonne-mann den eersten papp-pott at.'

Grotheid van gevoel openbaart zich waar Huvgens de gewoonte van toenmalige vrouwen hekelt die haar man met „kind" aanspreken. Voor den rechtzinnigen dichter die denkt aan „gij vrouwen zijt uwen mannen onderdanig" is dat een „aenstootelicke toenaem" en hij lucht zijne ergernis in een puntdicht, eindigend met deze verzen:

Ey, Neel, spretckt soo niet meer, 't gaet erger als een Hoer,

Want is je man je kind, soo soent je man sen moer.

Het is geen wonder, zegt hij elders in een Latjjnsch distichon, dat minnaars begeerige blikken laten weiden over die heuvels, uit welker bronnen hun moeder hen indertijd gevoed heeft. Sexueele drift en moederliefde worden hier in een verband gebracht, dat zeker voor de meesten onzer aanstootelijk of kwetsend zal z\ju.' Zelfs waar hij in zijn verzen weergeeft wat hem het heiligst is, zal men niet zelden verzen, uitdrukkingen of voorstellingen vinden die grof of plat genoemd mogen worden ook met het oog op dien tijd.

1 Ged. II, 172.

s Ged. V, 174. Huygens had er zoo n pleizier in, dat hij het nog eens in anderen vorm gal', V, 182; III, 278.

Sluiten