Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men zou kunnen meenen dat wij hier te doen hebben slechts met eene aardigheid waaraan men niet al te veel gewicht mag hechten, doch inderdaad staat de hier aangeduide opvatting van de taak der vrouw, al is zij wat scherp geformuleerd, niet zoo bijster ver van de heerschende •opvatting in dien tijd. Vrouwen moeten zich niet bemoeien met zaken van algemeen belang; zij mogen blij zijn, indien men er haar van tijd tot tijd eens iets van vertelt. In een der brieven van Dorothea van Dorp vinden wij een bewijs voor de juistheid dezer voorstelling. Zij schrijft daar aan Constanten: „lek neempt jou soo wel af, dat ghij mijn waerdich kent wat te communiseren van lants zaken. Ghij weet oock wel dat ick een liefhebster ben vant lants welvaeren ende princepael van godts kerek." En deze Dorothea was toch niet maar een gewone „Trijn".

Uit een ander puntdicht, getiteld: Vrouwen Zedicheit zou men geneigd zijn op te maken dat Huygens die zedigheid niet hoog stelt. Of wat dunkt den lezer:

Hoe wel was dat bestelt dat d' eerbaerheit de Vrouwen (Uytwendige eerbaerheit) bevolen is geweest!

Waer eens dat masker af, wie souw het goedjen houwen , En wat saghm' all still weers veranderd in tempeest!

Dit lijkt toch eer op cynisme dan op overschatting.

Wat ik elders in Huygens' werken met betrekking tot ■dit vraagstuk gevonden heb, is niet van dien aard om mij in dezen van meening te doen veranderen; ook niet van dien aard om het hier af te schrijven.1

I Ged. II, 99; IV, 313; VIII, 72; VII, 154; VIII, 46, 51.

7

Sluiten