Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot in hoogen ouderdom aldoor vervuld met voorstellingen betreffende den sexueelen omgang, hoe talloos zijn zijne grappen over dat onderwerp. Dat de vrijheid van spreken toentertijd grooter was dan nu, mogen wij aannemen en moeten er rekening mede houden. Doch ook dan overschrijdt Huvgens de maat verre en steekt hij ongunstig af hij Hooft en Vondel; om van Kalvinistische dichters als Revius en Camphuysen te zwijgen. Cats laat hij hier ver achter zich, de vergelijking met Breeroo kan hij in dit opzicht veilig doorstaan.

Citeeren is hier moeilijk en niet noodig; wie meent dat ik overdrijf, moge zich zelf overtuigen. Wel moet er nog even de aandacht op worden gevestigd, dat Huvgens ook vrouwen en meisjes niet spaart, ook niet al heeten zij Mademoiselle de Brederode.1

Evenals zijne ruwheid en zijne neiging tot faecalische grappen blijft ook zijn trek tot sexueele aardigheden en woordspelingen hem zijn gansche leven bij. Een passer herinnert hem aan een eunuch; eindigt een vers in een zijner puntdichten op „wonderboeck", dan laat hij er op volgen: ,,'T rijm leidt mij tot een onderbroeck"; soms wordt het hem zeiven te kras en bedient hij zich van... doch, heb ik wel gezien, dan heeft hij dat slechts een enkelen keer noodig geacht. Logeert Tesselschade in zijn huis, de weduw bij den weduwnaar, en slaapt zij in eene kamer boven de zijne, dan richt hij een puntdicht ge-

' Staaltjes in Ged. I, p 211 (Muydsche Reis, vs. 23-24) 228. 2:3a, 247, 206, 261 : p. 310 spant misschien de kroon in dezen; II, 4, vs. 5—7, 5, vs. 30-32; 17 , 49—50; II, 37; IV, 220, 303; V, 270, 282, 288, 303: VI, 5, 8, 17, 109: VII, 32; VIII, 13, 93, 122, 173, 178, 290.

Sluiten