Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waaruit God hem genadig heeft gered, daar begint het gedicht m. i. te zakken:

Doe ick langs de klippe-trappen Op vier voeten moste trappen,

Daer den afgrond nevens lagh,

Daer mijn herssenen af klagen,

Daer sij noch een draey af dragen Als 't mij somwijl heugen mach.

En het blijft dalen in verzen als deze waar de dichter, wien evenals Oats het oorzakelijk verband der dingen altijd veel belang heeft ingeboezemd, gaat vragen:

Waer is 't vyer, waer zijn de kolen,

Onder welke darmen-holen Staet den rooster die mij braeyt?

Valt er aan het slot misschien eenigermate rijzing waar te nemen, de hoogte van het begin bereikt het toch niet. Vergelijkt men deze Koortsighe Bedde-bede eens met het Gebedt uytgeatort tol Godl over mijn geduerige quynende Heckte door den iets ouderen Vondel een jaar of vijf vroeger gedicht, dan zal het karakter van Huygens' werk nog duidelijker blijken.

Indien men ons, wier taak voor een deel bestaat in het „rerum cognoscere causas" al gelukt het ons vaak slechts de naastbij liggende oorzaken aan te wijzen, indien men ons op onze beurt vraagt naar de oorzaak van dit verschijnsel in Huygens' poëzie, dan zouden wij die willen zoeken in dat „gebrek aan smaak, aan verfijning, aan onderscheidingsvermogen tusschen het middelmatige en het voortreffelijke", dat door Prof. van der Vliet werd opgemerkt in Huygens' Latijnsche poëzie.

Sluiten