Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beden te verklaren, om vergiffenis van „boosheden", „misslagen", „beleedigingen" enz, en niet in den letterlijken zin, alsof de priester verondersteld mocht worden in een betreurenswaardigen staat van doodzonde het onbevlekte offer der h. Misse te zullen opdragen. Juist het tegendeel is waar; zoo ooit, dan is hier de plaats, waar de priester, in de hem tot plicht gestelde, onbesmette reinheid zal verkeeren. De genoemde bewoordingen zijn dan ook de uitdrukkingen van een diep wegzinken in het gevoel zijner eigene nietswaardigheid tegenover den God van matelooze heiligheid en liefde, wiens zuiver oog zelfs in de Engelen des hemels nog vlekken bespeurt.

In dien volheerlijken geest van eigen geringschatting bidt de Kerk haren Canon, aangevangen door:

I. DE OFFERANDE.

De eerste ceremonie is het „offergebed". De h. Misse is namelijk, gelijk wij reeds zegden, èn offer èn geestelijk gastmaal. De eerste christenen, — behalve eenige toegelaten boetedoeners, — welke gemeenlijk dagelijks kommuniceerden, boden den dienstdoenden diaken brood en wijn aan, voor het gebruik in het h. Misoffer bestemd; maar tevens ook andere gaven als „offers" (oblationes) voor: de armen, weduwen en geestelijkheid. Hierdoor wilden zij hunne eigene offergiften vereenigen met het goddelijk Sakrificie, dat op den altaar ging worden voltrokken. Daar dit godsdienstig gebruik onder dit gedeelte der h. Misse plaats had en niet zelden geruimen tijd vorderde, vulde het koor den daartoe bestemden tijd door het zingen van een psalmlied (') aan, waarvan ons tegen-

<>) De „offergang-, somtijds nog bij rouwmissen in gebruik, de stipendia en de kollekten voor armen en kerk, danken hieraan hun ontstaan.

Sluiten