Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vroeg-middeleeuwsche, frisch-werkende sentiment; van dat gemoedsleven zoo rijk en pittig, dat zich uitgoot over allen en alles; dat aan elk ding, uit eigen ziele-volheid, een levenden geest wist in te ademen, zoowel aan de voorwerpen van sierende kunst als aan die van het gewone, dagelijksche verkeer, en vóór alles, in hetgeen met geloof en godsdienst verband hield. Het was dan ook geheel naar aard en eisch, dat de middeleeuwsche liturgen bovenal in het ornaat van den priester — hetgeen uitsluitend onder het hoogheilig offer der Misse werd gedragen — één voortdurende toespeling zagen op den bitteren lijdensdood\an den eersten Offeraar, of wel, dat zij in die kerkgewaden vermanen hoorden aan celebrant en geloovige tot een heilige deugdsbctrachting. Te meer, wijl de Kerk zelve — gelijk wij gaan zien — aan de symbolische verklaring harer mis-paramenten richting en voorbeeld en zelfs liturgische wijding had geschonken.

Dat ook de vóór-christelijke volkeren zich van een onderscheidende dracht bij hun cultus bedienden, beschouwen wij als bekend; dat, in het bizonder, de Jehovahdienst van Israël „gewaden van heerlijkheid" bezat, blijkt uit menige plaats der h. Schriften.

De vaak gerezen vraag (*) naar den veronderstelden invloed der oud-testamentische paramentiek op het gewijde ambtsgewaad onzer h. Kerk, kunnen wij bij de beperkte omraming onzer studie, slechts even opstellen.

(>) Dr. Hefele Reitragezur Kirchengesch., Archiiologie, Liturg., II, Tiibingen, 1864; Bock, Gesch. der liturg. Gewander, Bonn 1871; W. Marriott, Vestiarium Christian., Londen 1868; Krazer O. P., De apost. necnon antiquis liturgiis, Aug. Vind. 1786; Kraus, Real-Lex.; Gihr, das H. Meszopfer, Freih. 190a; Thalhofer, Liturg., Freib. 1887; Rohault de Fleury, La Messe, Paris 1894; J. Wilpert, Storia del vestiario, Roma 1891; Kaufmann, Handb. der christl. Archaeol., Paderb., 1905;

Sluiten