is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ridderdienst hebben geleid, de luit als harer onwaardig wegwerpend voor 't rapier, op haar bevel vaardig ten strijde. Rinske's zachtheid lag in de diepte van een hart dat bang was voor weekheid en aan valsche schaamte leed waar 't openbaring van teedere gevoelens betrof: omdat ze zooveel lievigheid had gezien die geen diepte van aarde kende en omdat ze Friezin was, prat op haar afstamming en doodsbang dat Hollandsche complimenteuzigheid en Saksisch gemoedelijk-doen zonder fond haar volk bederven zou. In dit opzicht geleek ze haar vader. Maar niet alleen hierin. Ze was oprecht — vreemden zeien: akelig-oprecht, lomp-oprecht. Had ze iets tegen iemand, dan moest liet „er-af"; dan kon ze geen half uur met hem samen zijn of hij wist precies wat zij van hem dacht. En dat was geen aanstellerij, dat was een moeten, waarover ze soms half en half spijt had omdat ze toch ook niet graag kwetste en haar ergernis vaak consequentie heeten kon van een vriendschappelijke gezindheid, maar dat haar nu eenmaal niet losliet en bovendien in eigen kring nooit ernstige veroordeeling vond. Want hadden vader en moeder haar soms over die vrijmoedigheid gekapitteld straf was niet gegeven: de appel viel niet ver van den stam.

De mannen hadden elkaar de hand gedrukt en zaten nu zwijgend neer, onderwijl Rinske koffie schonk en pijpen en sigaren toeschoof. De verleiding was groot. De een na den ander stopte van de blanke baai — Sonnema het laatst. Hij kon niet rooken — hij had