Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kerktoren, wegdoezelend in de warme lucht, uit 't groen, dat glinsterde van zonne-diamanten telkens wanneer een straal schoot langs 't venster van een half verscholen huis.

De grintweg tusschen Langwirden en Ralingawier heeft geen boomen, enkel hier en daar een boereplaats. Eentonig ligt hij neer tusschen de groene weiden als een gele bies op een smaragd gewaad, 's Winters stormen de winden er woest overheen zonder hinderpaal, 's zomers vlijt het licht zich op hem te slapen, door zijn Moeder toegelachen van den hemel met een glanzen den glimlach.

Dominee Sonnema had 't meer dan warm. Z'n lakensche jas scheen hem een looden last, z'n hoogen hoed voelde hij in zijn volle hoogte drukken op 't harig hoofd. Toch stapte hij stevig voort, den wandelstok zwaar neerzettend in 't stoffig grint.

Hij moest naar een zieke, halfweg Ralingawier — in 't land.

„Heet, dominee," klonk 't hem af en toe tegen uit een boerenmond, en onveranderlijk was het bescheid: „deeg, deeg."

Dicht bij Ralingawier wrong hij zich langs een hek en ging 't land in. Koeien staarden op, en als hij dicht bij gekomen was, gingen ze met een plompen zwaai ter zij. Na een kwartiertje stond hij voor 't erf van een boerderij en twintig minuten later was hij weer op den terugweg; hij had een stervende den troost van 't Evangelie geboden. Terwijl hij zoo over

Sluiten