Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had ze niet meer dan noodig was tot hem gespro-

en, op z'n hoogst een „goeien morgen," of „wel te rusten."

Gelukkig, daar had ze de toestemming van z'n ouders - zoo was 't geen leven: ze sprak hem bijna nooit. „Ik ben te logeeren gevraagd, vader," zei ze stroef. Hij antwoordde niet maar bleef lezen in z'n krant. „Ik ben te logeeren gevraagd," herhaalde ze.

loen zag hij op en haar aan:

„Zoo — nou, je kunt gaan. Bij wien?"

Bij de ouders van Smitz."

„Wanneer heb je plan?"

„Zoo gauw mogelijk?"

„Noem een dag, asjeblieft."

„Over drie dagen."

„Goed." Hij liet z'n blik weer zinken en las door. „Wil je me nog eens inschenken," zei hij zonder opkijken, tastend met z'n linkerhand naar 't kopje. Zij deed 't. Hij dronk 't leeg en ging de kamer uit.

De deur was nauwelijks achter hem dicht, of hij hoorde snikken.

Even werd z'n oog vochtig onder 't staan luisteren dat hij onwillekeurig deed, en hij greep de kruk — maar t was heel even. Hij liet haar los en ging naar z'n amer, met 't zelfde strakke gezicht van een oogenik te voren. Op 't sous-main lag de preek, dien ij den volgenden dag houden zou. In rustige, kloeke letters, afgerond tot 't end, had hij z'n gedachten neergelegd; kantige, calvinistische gedachten, stout omhoog

Sluiten