Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Scheen dat ze waanzinnig worden zou. — Haar gezicht stond akelig verwrongen.

Smitz, die naar voren was gegaan, trad ontzet een paar stappen achteruit.

De vreemde vrouw keek schielijk om. Een vriendelijk gelaat, waarover de wijding van de smart lag, zag de twee mannen aan. Maar ze letten er niet op: die trillende, magere vinger, wees hem weg, ver weg, hem — dien eenen — haar man!

Fred wou wat zeggen maar de woorden stokten in

z'n keel.

Ze herkenden haar stem niet meer, de heesche stem van een furie, die, half in 't Friesch, half in t Hollandsch, uitbracht:

„Je komt me halen — je zoudt me vinden, ja, dat wist ik — je komt me halen, maar ik ga niet mee, nooit — in der eeuwigheid niet! Ik wil scheiden en jij je moet scheiden. Om de wereld geef ik niets. Om jou heb ik haar getrotseerd en m'n vader verdriet gedaan, en 't is jouw schuld, dat ik haar nou weer in 't gezicht sla, al noemt ze me gek, zondig, al wat ze wil, want jij, — je bent me de geïncarneerde leugen, dat heb ik je immers duizend maal in lamme fatsoenlijkheid gezegd. Maar ik kan van leugen niet leven, en j ij m'n man, je moest een deel van m'n leven zijn. „Ik kan niet — o God, ik kan niet!" gilde ze.

Met luid snikken slingerde ze haar handen om den hals van Sjoerd, maar 't zelfde oogenblik gleed ze half bewusteloos voor z'n voeten neer.

Sluiten