is toegevoegd aan uw favorieten.

Populair geneeskundig handboek "Methode Raspail"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE HOOFDSTUK

Gezondheidsleefregel, (hygiënische.)

254. lo. Men hoede zich voor vochtigheid, koude voeten, tocht en plotselinge veranderingen van temperatuur.

2". Men wone in hoog-geplafoneerde, door de zon beschenen kamers, voor versche lucht toegankelijk, zonder dat deze tocht veroorzaakt.

3o. Men venvissele dikwijls van ondergoed, en vooral iederen keer als men sterk gezweet heeft; men wrijve zich dan in met kamfer-spiritus of eau de Cologne, wanneer het koud is; bij warm weder of koortsaandoening met wat Pijnstillend water. Daarna wrijve men zich in met kamferzalf.

4". Men bestrooie de bedden van tijd tot tijd met wat kamferpoeder tusschen matrassen en onderlaken, ten einde daardoor wellustige droomen tegen te gaan, een ongestoorden slaap te genieten en insekten te verdrijven.

5°. Men ete steeds op bepaalde uren.

6». Men neme na het eten een half uur rust, en houdé zich dan met eenigen handenarbeid of lichaamsoefening bezig; maar spanne zoo min mogelijk het denkvermogen in.

7o. Voor geestesarbeid heeft de morgenstond goud in den mond.

Eene wandeling in den morgenstond is — mits niet met nuchtere maag — is zeer aanbevelenswaard.

8°. Men sta altijd van tafel op zonder geheel en al Verzadigd te zijn.

9°. Sterke maar aangenaam gekruide spyzen bevorderen de spijsvertering. Specerijen en dessert elixirs zijn wormaf drijvend. Laffe, gesuikerde, slijmige gerechten en onrijpe vruchten kweeken in onze ingewanden een overvloed van wormen, die vele ziekten veroorzaken. Specerijen zijn uitstekend voor lieden van eiken leeftijd en ieder gestel; verscheidene geneesheeren zullen ze afraden, doch men late zich daardoor niet afschrikken: een goede digestie zal die vrees wel verdrijven. Men geloove hierin mijn langdurige ondervinding.

10°. Men blijve des avonds niet te laat op, de dagslaap haalt niet bü de rust van den vroegen nacht.

11°. Men neme driemaal daags een stukje kamfer van de grootte eener linze (122), dat men doorbijt en met een teug