Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rig duister van het Theater heeft nog het gruwen van de erkentenis.

Maar er is eenheid van gedegenheid, van kracht die metalig wordt in die opera: zoo het leven niet genoten wordt, het wordt beheerscht.

Tot de vreugde-voor-zichzelf kwam dit leven zeker niet. De magere grootoogige man die met zijn vleeschlooze vingers dorre blaren bij duizenden op zijn wagen hoopt in het najaarsbosch, roode blaren in het roode najaar, — zijn dit de oogsten van ons leven, vriend, dacht ge wel ? —

Berusting. Het kind met haar eenige vriend en armoedje buiten, het Kind met de Geit in het kalme groene, blaast de pluisjes van haar kaarsje weg: — laat ze vliegen, de zaden voor volgende zomers, laat ons spel en onze ontbladering een troost en een bevruchting zijn. Zie, wij zijn het wel die ondergaan, maar ge weet toch: het Leven leeft! —

En uw Maaier maait en heeft al de kleuren van stof en koren in zijn verschijning die éen met de Aarde is. En de aren storten neer en

Sluiten