Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel in verval geraakte mattenwevers-industrie weder nieuw leven inteblazen. Het leek mogelijk, maar een eerst vereischte hiertoe zou dan wezen het bedrijf opnieuw te onderrichten en meer bepaald de jeugd er in te onderwijzen. De heer S. Rijpma, het hoofd der openbare school ter plaatse, wilde behulpzaam zijn. Hij zou den cursus leiden en wist een goed onderwijzer, zekeren H. Nijboer, voor het plan te winnen.

Een groot bezwaar moest worden overwonnen. De Bonds-Statuten moesten allereerst worden aangevuld met de bepaling, dat de Bond naar de bereiking van zijn doel ook wenschte te streven door: »het scheppen en tot ontwikkeling brengen van kleine industrieën ten plattenlande". Nu, dit kwam in orde. Bij Koninklijk Besluit van 5 September 1900 110. 28 werd de toevoeging goedgekeurd.

Inmiddels was de zaak voorbereid en wel door het nemen van een proef in den winter van

1899 op 1900. Een lokaal werd gehuurd. Weeftoestellen en grondstoffen werden aangekocht. W eldra had Nijboer een groep jongens en meisjes (coëducatie op de heide!) om zich heen en werd er geweven, dat het een lust was. De geweven matten werden verkocht. De opbrengst viel mede. De proef scheen geslaagd.

Bij dezen uitslag achtte de heer Rijpma zich verantwoord voorstellen te doen tot het oprichten van een vast gebouw, daar het gehuurde vertrek niet aan de eischen voldeed. Het Bondsbestuur stemde hierin toe en in het najaar van

1900 werd de nieuwe werkplaats, voor 30 leerlingen ingericht, betrokken. Helaas, de brave Rijpma, die den bouw met de warmste belangstelling had geleid, maar van uit zijn ziekenkamer op de vordering van het werk had moeten toezien, mocht haar niet betreden. In de eerste dasren

T • O

van Januari 1901 werd hij aan de zijnen, aan zijn nuttigen werkkring en aan zijn socialen arbeid ontrukt. De heer H. de Jong, onderwijzer, nam toen de taak op en leidde haar sedert verdienstelijk. Hij deelde mede wat, naar de ondervinding leerde, nog aan het gebouw verbeterd moest worden en wat nog vereischt werd om de exploitatie zonder stoornis te kunnen drijven. Alles werd ingewilligd en met recht mag gezegd worden dat deze arbeid van den Bond op goede grondslagen rust en met succes wordt bekroond. In kouden winterdag, als alle werk stilstaat, zijn in de matten weverij de jongelieden bezig, leeren iets, verdienen iets, zien zich voor altijd toegerust met de kennis van een zeer eenvoudig, maar niettemin productief vak van handenarbeid. En de Bond werkt alweder aan de behartiging en de bevordering van de moreele en stoffelijke belangen van de mindergegoeden.

Een paar Bondsvrienden hebben getoond dit op prijs te stellen. Zij schonken giften tot een bedrag van ƒ 175.— Mogen zij de voldoening hebben te zien dat het op den duur aan de verwachting beantwoordt.

Het gebouw met den grond heeft ƒ907,705 gekost, terwijl de installatiekosten ƒ 140,48 bedragen hebben, samen ƒ1048.185. Verminderd met de giften, is dus een kapitaal van ƒ873.185 in deze zaak gestoken. Waarlijk niet overdadig veel! De exploitatiekosten hebben in de drie cursusjaren (tot en met 190V2) een totale uitgaaf van f 1480.78 gevorderd, waartegenover staat de opbrengst der verkochte matten, ad ƒ 1121.14% en J 4-76 interest, gevende een nadeelig saldo van

/ 3 54-87 3.

G. DE BEBOSSCHINGEN.

Lest, best. Wel mag gezegd worden dat de Bondsarbeid in de ontginning der heide tot bosch zijn glanspunt vindt. Als van den Bond eenmaal zal kunnen worden getuigd, dat hij niet alleen een nuttig maar ook een financieel krachtig lichaam is, en dat dit eenmaal gezegd kunne worden, moeten al zijn vrienden hartelijk hopen, dan zal dit te danken wezen aan de bosschen, die hij aanlegt op door zijn toedoen uit den slaap der eeuwen gewekten grond.

Hoever hij zal kunnen vorderen in zijn streven om werk en brood te brengen aan de plattelands-bevolking, die, beide missend, geen weerstand kan bieden aan den aandrang om naar de bevolkings-centra te trekken, met groote kans om daar naar lichaam en ziel tenondertegaan, dit is bij voorbaat niet te zeggen, al belooft het heden in dit opzicht ongetwijfeld veel voor de toekomst. Daarentegen staat dit vast, dat hij den zekersten weg volgt, om tot zijn doel tegeraken, door de leiding van het bebosschingswerk te geven in handen van de »Nederlandsche HeideMaatschappij," die, toegerust met kennis en onder¬

vinding en beschikkende over de krachten eener zich onophoudelijk uitbreidende organisatie, er met haar grooten naam borg voor staat, dat het bereikbare ook inderdaad bereikt zal worden Zoodoende — en door de verzekering van zijn bosschen tegen brandschade — geeft de Bond, menschelijker wijze gesproken, de zekerheid, dat de voor de heide-ontginning door de „KwartguldenVereeniging'' bijeengebrachte gelden, hem ter beschikking toevertrouwd, op de beste wijze zullen worden dienstbaar gemaakt aan het doel.

Wat in zake boschaanleg ondernomen is, leert het volgende:

1. HET VAN DER HUCHTBOSCH.

Welk een weelde was het voor het Bondsbestuur

Sluiten