Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- Fig. 17. -

Gala-Rok.

Maten.

Bovenwijdte. ... 96 cM. Onderwijdte. ... 90 „ Rugbreedte . . . . 19 „

Korte taillelengte . . 44 cM. Lange taillelengte. . 48 „ Geheele lengte. . . 100 „

Opstelling.

Trek een winkelhaak A—C en A—B. Van A naar A I is Vo = 8 cM. Van A naar 1) is V* + Ve = 20 cM. (rugbreedte). Van A naar C is 48—2 = 46 cM. E is de helft van D—C (voor de arm wijdte). F is de helft van E—C (halspunt). G—F is dezelfde afstand als A—A 1. Van G naar A een lijn trekken om punt H te bekomen. A—1 is V2 = 24 cM. (rughoogte).

A— J is 44 cM. (korte taille).

A—K is 48 cM. (lange taille). A—B is de geheele lengte 100 cM.

De bekomen punten doortrekken als volgt:

Van I naar Q. Van J naar R en van K naar S. Van I) naar M. Van E naar N. Van F naar O en van G naar P. Van af K op de lange taille 2 cM. naar binnen gaan en van daar uit een lijn trekken naar A. Van deze lijn uit wordt de bovenwijdte gemeten. T is de helft van A—I. Trek een lijn van H naar O (schouderhoogte). Van T naar N (carrurebreedte). Trek nu nog de lijn V—1) en leeken de omtrekken van den rug als het lig.

Tusschen rug en zijstuk op de korte 5 en op de lange taille 2 cM. uitnemen.

De breedte van het zijstuk van boven is 1/s van N—M punt 5. I)e winkelhaak 4— 5—6 geeft de onderbreedte en de lijn W—N de hoogte van het zijstuk aan. W is de helft van T—I.

Teeken de omtrekken van het zijstuk als het Fig. Van af T een schuine lijn trekken naar G welke dient voor de schouderhoogte van hel voorpand. Meet de schouderlengte van den rug en geeft diezelfde lengte aan den schouder van het voorpand van af ruim 1 cM. boven punt F tot X. De halsdiepte is '/e = 8 cM. van af C. Een derde van C—IJ is de hals-

holling punt Z. I 1—O is de halve borstbreedte 48 + 6 = 54. Plaats den winkelhaak op 4 en de halve borstbreedte om de juiste onderwijdte te vinden. Verleng het voorpand van S tot S I met 7i2 = 4 cM. De spiegel is 4 cM. breed. Teeken de omtrekken van het voorpand als het Fig. De winkelhaak 4—N—9 geeft de plaats voor de taillesecon aan. De richting van deze secon is schuin naar den kraaghaak en wordt 1 cM. aan den achterkant uitgeholt.

De secon aan den hals wordt 2 cM. uitgesneden en langs de breuklijn geplaatst tot ongeveer o cM. boven de armsgat lijn en eindigt in een dwarssecon. Wannner deze secon is dichtgenaaid, komt de halsholling weer in den juisten vorm.

De Revers.

Plaats de liniaal op het midden van het voorpand tegen de halve borstlijn aan en trek een lijn van A A naar B B. Van A A naar CC is 4 cM. Van CC naar D D is 5 cM.

Van D D een lijn trekken naar E E. Van F F naar G G is o'A cM. Teeken de omtrekken van den revers als het Fig. Plaats de breuklijn van C tol aan de lengte van het voorpand.

De revers van Q tot A A één cM. afsteken.

De schoot.

De alstand van N N naar U is voor den rokschoot 5 cM. Plaats den winkelhaak op l en den achterkant van het zijstuk 1 cM. naar binnen en 1 cM. lager en geef de wijdte van den schoot aan punt H H. Ter hoogte van de bassinwijdte 2 cM. ronding geven en

Sluiten