is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der sporten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweging van liet snoer, dat liet visclije wordt ingeslikt en de roover wordt aan den haak geslagen.

De baars wordt evenzoo, echter met kleine vischjes, gevangen. Daar hij niet, als de snoek, groote tanden heeft om ze vast te houden, is l'ij erop aangewezen ze met den haak in zijn bek te grijpen en wordt onmiddellijk op land geworpen. Baars bijt in de rivieren ook aan wurmen en allerhande andere insekten, het beste aas echter is de garnaal en de steurkrab.

Op stille oevers der stroomen wordt de baars ook wel aan het zoogenaamde looden tjoenk-vischje gevangen, dat door den visscher in een zekere beweging gehouden wordt. Anderen doen eenvoudig een watje om den haak of hangen er eenige gekleurde lapjes om.

Alles wat beweegt is van de gading van dezen veelvraat.

Snoek, baars en paling worden met veel succes en weinig moeite aan de fleur gevangen. Tusschen huid en vleesch van het aasvischje wordt een dubbelen haak, verlengd met een stukje koperdraad, geregen. Het opgerolde lange snoer wordt in een vurkje vastgezet, De stok wordt zóó in den bodem gestoken, dat het aasvischje kort bij de oppervlakte zwemt. De roofvisch grijpt toe, waardoor het touw uit de vurk losraakt, zoodat mijnheer de snoek iets verder zijn ontbijt kan gaan nuttigen. De dubbele haak gaat oh ! zoo gemakkelijk méé naar binnen, maar oh! zoo moeilijk weder eruit. De maagkrampen die erdoor \eroorzaakt worden zorgen ervoor dat de roover zich bijna niet verdedigt,

Inplaats een stok te gebruiken, winden enkele liefhebbers het touw om een klos, die dan vrij in het water ronddrijft.

De spiering wordt, bizonder in onze zeegaten, veel aan den hengel gevangen. Als de vloed in het water begint te komen ligt de visscher gereed in zijn schuit, niet twee of drie hengelstokken onder het bereik van zijn snellen greep.

Verschillende nummers van vischhaken.

Aan het snoer zijn op afstanden van omstreeks 25 centimeter 15 tot 20 haakjes bevestigd, waaraan als aas een stukje viscli, liefst van een voorn of een paling gesneden. Onder aan het snoer is een zwaar stuk lood bevestigd; zoodra de spiering bijt kan men het aan het topend van den stok zien en wordt het snoer met één, twee, soms vijf of zes gevangen spieringen in de schuit gehaald.

Op stilstaand water kan men bij de spieringvisscherij een dobber gebruiken om het bijten te zien, daar toch is weinig of geen verzwaring van het snoer noodig om te zinken.