is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der sporten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer wij de geschiedenis van den tegenwoordige)) wielersport gaan schrijven, moeten wij ons niet laten verleiden, om te veel terug te gaan en een te helder licht te willen laten schijnen op de tijden der draïsine en de eerste jaren van de tweede helft van de 19<le eeuw. Het zeer luttele gebruik, dat toen van de velocipède gemaakt werd, mogen wij niet als sport beschouwen, neen de eerste voorloopers van het tegenwoordige wielrijden vinden wij in de beide oudste clubs van Nederland, de Leeuwarder Velocipède Club (opgericht den 12eu Mei 1874) en de Deventer Velocipède Club (opgericht den 22sten October 1871) benevens in die enkelen hier en daar in den lande, welke tusschen 1870 en 1880 op zoogenaamde houten velocipèdes tochtjes maakten, tochtjes, zich niet verder uitstrekkende dan de stadssingels of een dorp op een paar kilonieters afstand van de plaats der inwoning gelegen.

Wel zong reeds „de Schoolmeester" tusschen 1850 en 1860

Jan.

Vindt je d'r ook een been in om eens een blufje te slaan,

En in 't llaagsche Bosch of in de Plantage uit toeren te gaan,

En de voetgangers verstomd te doen staan?

Piet.

Daar heb ik volstrekt niels tegen ; het staat mij zelfs bijzonder aan.

Maar het moet niet zijn met de trekschuit of diligence;

Want ik hon om den dood niet van onnutte depense.

Jan.

Neen het kost je geen cent,

En 't is heel pleizierig, als jc eerst de manier maar kent.

Piet.

i

Hoe meen je dat ?

Jan.

Ik meen een velocipede op twee wielen.

Je stuurt met je handschoenen en je duwt met je hielen.

En je zweet als een koetspaard; want 't gaat ongemakkelijk gauw.

Piet.

Dat's inoog'lijk; maar ik kan toch niet zeggen, dat ik er veel van hou

En als ik toch met mijn beenen werken moet,

(ïa ik, wat mij betreft, liever heelemaal te voet.

en werd in een modevleug in Parijs het velocipède rijden in de jaren 1860 en 1S61 eenigszins beoefent, maar het voorttrappen der groote houten wielen met ijzeren banden beslagen, terwijl een kussentje op een stijve veer bevestigd, tot zitplaats diende, was zoo'n zwaar en zoo'n inspannend werk, de rijder zat zoo te hossen op liet zadel, dat de aardigheid er spoedig af was; alleen de groote meesteres,