is toegevoegd aan uw favorieten.

"Gooiland"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het ontstaan der banken kan nog geen voldoende verklaring gegeven worden. De vorming ham't naar het voorkomen samen met een meer

O ••Tl

vochtige ligging van het terrein, lieinders beschrijft dat zeer uitvoerig in ,,De oerbanken onzer Heidevelden" en merkt daarbij op, dat het water op tweeërlei wijzen kan werken.

Vooreerst kunnen het ijzerhoudende slib en ook de huinusdeeltjes zich mechanisch verplaatsen, en ten tweede door afsluiting der lucht veroorzaken dat de overblijfselen der planten zoodanige verandering ondergaan, dat er naast donker gekleurde, in water onoplosbare humus, in water oplosbare humusstoffen of humuszure zouten ontstaan , die het water bruinkleuren. De opgeloste humusstoffen en hunne zouten kunnen weder andere stoffen in oplossing brengen en daardoor den bovengrond min of meer uitloogen. Wordt dus de bovengrond door den afval der planten rijker gemaakt, van den anderen kant verarmt hij door bovengemelde uitlooging. De opgeloste stoffen worden, naar beneden sijpelende, daar waar een bank ontstaat of ontstaan is, gedeeltelijk weder vast gelegd. Daardoor neemt een eens gevormde banklaag in dikte toe. De eerste aanleiding tot het ontstaan eener bank is echter wellicht gelegen in het mechanisch veiplaatsen van de fijne ijzerhoudende slib uit de bovenlagen naar den ondergrond en, stroomt er water van hooger gelegen plaatsen naar plaatsen, die lager gelegen zijn, dan kan daarmede ook slib naar de laagten worden gevoerd en de hoeveelheid ijzerhoudende klei hier alzoo grooter worden. Meer bepaald zal dit bij de bankvorming hebben plaats gehad, als de hoeveelheid ijzeroxyde aanzienlijk grooter is dan die van den ondergrond. Ook fijne huinusdeeltjes kunnen door het losse zand mechanisch met het water naar beneden zijn gevoeld. Zoo stelt Re in de rs zich de vorming eener bank voor. Hieruit ziet men dus dat de banken op verschillende wijzen kunnen ontstaan.

Humus-modificaties vormen zich thans nabij de ijsbaan, waar een rijke flora zich ontwikkelt, en verder op dat gedeelte nabij den Hilversumschen straatweg, waar altijd water staat, de bekende oase voor de trekdieren der karren.

Thans zullen we overgaan tot de boringen, die nabij en in het Gooi gedaan zijn. Ze zijn van groot belang, daar ze ons leeren hoe de toestand van den bodem voor eeuwen en eeuwen was. Diepe putboringen zijn in ons land betrekkelijk zeldzaam. De diepste boring der latere jaren is te Twicket gedaan, en daar die door verschillende aardlagen heen loopt, is het van belang hierbij even stil te staan, om de methode van onderzoek der aardlagen in t algemeen duidelijk te maken.

Dr. Lor ié, die in het „Album der Natuur" van 1888 eenige dier diepe putboringen opnoemt, bespreekt daar die hoogst interessante boring, in de jaren 1885 en 86 op het landgoed Twickel te Delden

gedaan. In ons vaderland zijn de navolgende diepe boringen verricht. In 1834 te Austerlitz bij Zeist tot 139 M., in 1835 te Gorkum tot 182 M., inde jaren 1840 — 44 te Amsterdam op de Nieuwe Markt tot 172,5 M., in 1864-70 te Goes tot 224 M., in 1872—76 op het Vreeburg te Utrecht tot 370 M. in 1885 te Arnhem tot 151 M. en in 1885—86 te

Sneek tot 132 M.

In de jaren 1885—86 deed men te Almelo nog een boring bij de Twentsche Stoom-Bierbrouwerij tot 200 M., en te üelden tot een diepte van niet

minder dan 566 M. Deze overtreft dus alle genoemde

boringen. In het geologisch museum te Utrecht met den ijverige n Heer Lor ié, die alles wat op onzen vaderlandschen bodem betrekking heelt, daar verzamelt, zijn de grondmonsters dezer diepe boiing neergelegd.

Door onoverkomelyke bezwaren is de Twickelsche boring op het landgoed van Baron van Heeckeren van Wassen aer, in het belang der wetenschap tot die aanmerkelijke diepte voortgezet, gestaakt moeten worden. Zooals men weet, is de Utrechtsche Domtoren 103 M. hoog; dus heeft deze boring 5,5 maal die hoogte overtroffen. Het eenige nadeel voor den geoloog, dat die boring opleverde, was het te voorschijn brengen van vergruisd materiaal. Het is toch alleen bij uitzondering mogelijk dooiden aard der gesteenten de formatie te bepalen, verreweg in de meeste gevallen zijn voor het bepalen van den ouderdom van aardlagen de versteeningen of daarin gevonden schelpjes noodig. Het, is te Delden evenwel gelukt om uit het vergruisde materiaal, door de schelpjes ot hun fragmenten, den ouderdom of de formatie der lagen te bepalen. De Foraminiferen hebben hier der wetenschap het richtsnoer gegeven. Het terrein der boring op 1 wickel ligt op 18,85 M. 4- A. P. en behoort tot het Diluvium, dat hier slechts 4 M. dik is. Hierop volgt tot 37.45 M. een lichtgrijze klei, die geheel vrij van fossielen is en daardoor zoowel tot het Quaternaire als Tertiaire tijdvak kan behooren. Op 60,55 M. werden voor 't eerst de Foraminifeien aangetroffen. Vergelijkingen met andere grondsoorten wijzen er op, dat hier de laag uit zeewatei bezonken moet zijn. Het grijze zand van 37,45 M. wordt tot op een diepte van 84,61) aangetroffen en bevat eveneens vele overblijfselen van Foraminiferen, stekeltjes van Echiniden (zeeegels), en schaaltjes van Ostracoden (kreetten). Dieper gaande neemt het kleigehalte van het zand toe, teiwijl de schelpjes al meer en meer verdwijnen. Verder I wordt er tusschen 84,60 en 92.60 M. een zandlaag aangetroffen, die slechts de fragmenten van schelpjes bevat. Nog dieper gaande tot 110,7 M., vond men i een mergelzandsteen, die vele Foraminiferen van het geslacht Operculina bevatte. Van 110,7— 169.5 M. werd tijn kwartszand aangetroffen, en van 169,5—212,7 M. een zeer fijne lichtgrijze klei,