is toegevoegd aan uw favorieten.

"Gooiland"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de haar daarvan, (want Stad en Lande van Gooiland verkoopt niets), voor 10 jaar door mij aanvaard, met het doel de werkingen in den bodem na te gaan en hoe eenige plantenfamilies zich ge-

GROND-ANALYSEN (per 100 gram).

Kleur v.d. grond. j Reactie. Humus. |lJzer(F203) Stikstof. PhosphorzuurKalium I Korrels grooter

(P2 05) (K20) I danl.ömM.

! I i

A. Uitgezochte heideplag van

de Calluna ontdaan bruinzwart, zuur 8.GO sporen 0.030 0.0318 0.014 2.2

gespikkeld (Si 02) j

B. Heide, die op ruggen ligt

ter uitspreiding I lichtbruin j zuur 4.32 jsporen 0.021 0.013 0.016 7.7

C. Zwart stuk aarde uit den j

zandwal (humus-inodiflcatie; bruinzwart zuur 8.80 sporen 0.086 0.024 0.018 —

D. Zwart stuk zandoer bruinzwart ; zuur 9.77 0.048 — — — —

gespikkeld

E. Ijzerhoudende bonken ! bruin zwak zuur 4.06 0.298 — — — 2.26

F. Ijzerhoudende bonken j bruinzwart zwak zuur 2.39 0.227 — — — 1.8

G. Afgezande heide vóór de I

de bemesting donkerbruin zuur 2.96 sporen 0.028 0.016 0.050 —

H. Afgezande heide na de be-

bemesting donkerbruin zuur 3.00 sporen 0.053 0.022 0.070 —

I. Serradella-grond donkerbruin 1 zwak zuur | 3.50 sporen 0.084 0.036 0.073 5.0

K. Lupinen-grond lichtbruin zwak zuur 4.59 sporen 0.087 0.060 0.061 3.5

L. Klavergrond donkerbruin zwak zuur 4.99 sporen 0.084 0.030 0.060 4.8

M. Veldje van den heerKuhn. grijszwart zwak alral. 6.03 ; sporen 0.151 0.190 0.130 1.1

dragen tegenover het kunstmatig aanbrengen van zouten of van inikro-organismen.

De volgende zaden werden op de daarvoor bestemde proefveldjes uitgezaaid: Trifolium repèns, T. kybridum, Lupinus luteus, L. albus, L. angus-

tifolius, L. pob/phyllus per enne, Ornithopus sativus, Vicia satioa, Pisurn arvense, I.otus ttliginosus, Lathyrus sylvesfris. e. a.

Direct na 't uitzaaien werden de proefveldjes met de correspondeerende stikstofbacteriën bespoten. Die reinculturen verkreeg ik uit de knolletjes deiplanten, die in Sept. 1897 in onderzoek genomen waren. Behalve de Trifolium-soovtevi, die eerst in 1899 goed stonden, groeiden alle planten uitmuntend op. Door de ligging van het terrein, dat aan alle kanten open is, heb ik geen vergelijkende proeven genomen, aangezien de wind de fijne bovenliggende aarddeeltjes met de ingebrachte mikroben zou wegvoeren en daardoor niet-geënte plaatsen op deze wijze toch zou enten. Later bleek mij uit andere proeven, dat hier te veel waarde aan gehecht was.

Een stuk hooge omgewerkte zandgrond onder Laren, aan den Hilversumschen straatweg, nabij het St. Janskerkhof, was in 1898 met gele lupinen bezaaid, die uitnemend in dien drogen zandgrond stonden, en zonder enting talrijke wortelknolletjes bezaten. Algemeen vindt men de mikrobe der Lupinen in den zandgrond, 't is het gewas bij uitnemendheid om de dorre heide te ontginnen. Een enting voor dit gewas schijnt dus niet noodig te zijn. Toch viel het mij op, dat de door mij geënte lupinensoorten niet alleen de groote ongesteelde aanzwellingen aan de wortels bezaten, doch dat ze bij enting als ringen tegen elkaar opgeschoven waren. De witte en blauw geënte lupinen hadden do wortelknolletjes meer aan de zijwortels en het onderste gedeelte der hoofdwortels.

Een uitnemend gewas werd van de Ornithopus sativus (Serradella) verkregen. Deze werd meermalen afgesneden en groeide overvloedig. Wil men dus op deze terreinen onmiddellijk succes hebben, dan is zij daarvoor aangewezen.

Algemeen, doch niet in groot aantal, wordt de mikrobe der Ornithopus sativus en die der Ornithopus perpusillus op de Grooische heide tot Huizen, Laren, Blaricum en Hilversum aangetroffen, (verder strekte het onderzoek zich niet uit). De O. sativus groeit daar niet in 't wild, wel de O. perpusillus. Ik heb op talrijke punten, die later gemakkelijk terug gevonden konden worden en waar schapen niet hinderlijk waren, het zaad der O. sativus uitgestrooid, met en zonder de bovengenoemde kunstmest, slechts over de oppervlakte van een vierk. voet. Later bleek mij, dat hoewel weinig in aantal, de worteltjes knolletjes voortbrachten. Dat uitzaaien was dus te beschouwen als een reactief op de mikrobe der Ornithopus. De met kunstmest behandelde plaats leverde zooals te verwachten was een krachtiger plant op, hoewel deze lang niet vergeleken kon worden met die. welke op meer vochtige plaatsen door zaaien verkregen werd.

In zuiver zand, in z. g. zandgaten, die ijzerhou-