Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IDEAAL OF UTOPIE?

Hoe ouder ik word, al ben ik nu nog niet zoo heel oud, gevoel ik in toenemende mate het ontzaglijk gewicht van den jongelingsleeftijd. Inzonderheid de jonge man, die met het volle leven in aanraking komt, waar hij zich ook geplaatst ziet, komt dan onder den invloed van een wereld van indrukken en aandoeningen als nooit te voren en ook nimmer daarna; en hoe groot het vermogen om belangstelling in veel en velerlei te toonen bij hem ook wezen mag, hij dreigt nog gestadig te kort te komen voor het ontelbaar vele, dat op die belangstelling aanspraak komt maken. Hij staat voor tal van vraagstukken, die met zijn aardsche roeping samenhangen en die niet alle even gemakkelijk kunnen worden opgelost. Hij gevoelt gestadig, dat hem in kennis, in vaardigheid, in ontwikkeling nog veel meer ontbreekt, dan hij ooit had kunnen vermoeden5 en daarom moge het eerste tijdperk van den jongelingsleeftijd nog wel eens aan de kwaal der inbeelding lijden : hoe meer de man in den jongeling rijpt, zal hij, mits in normalen geestestoestand, in bescheidenheid toenemen. Het receptief vermogen is veel grooter in die jaren, dan de productieve kracht, en daarom dreigt het gevaar, dat rijp en groen wordt opgenomen zonder verwerkt te worden. En dit is te bedenkelijker, daar men in des jongelings eigen kring veel te spoedig naar zijn oordeel over allerlei dingen vraagt. Door lectuur en conversatie komen vraagstukken van allerlei aard zich aan hem opdringen en bijna geen enkel gebied is hiervan uitgesloten. Godsdienst en staatkunde, moraal en sociologie, natuurwetenschap en staathuishoudkunde, het recht en de kunst, dat alles vraagt van hem niet slechts een vaak oppervlakkige kennisneming, maar menigmaal ook reeds een bepaalde opinie; en onder dat alles verkeert de geest, althans van een die medeleeft, in gestadige beroering. Het gist en bruist en kookt er dikwerf, en over hen, die, in rijper jaren dat alles een weinig kalmer opnemen, luidt het oordeel der jeugdige geesten meestal zeer gestreng. Wat jong is speelt niet alleen gaarne; maar het clubt ook gemakkelijk te zamen en er is nooit gebrek aan stof tot vaak levendige, ja zelfs opgewonden gesprekken, die meer aan een „ heksenketel" dan aan een parlementair debat doen denken en waaraan men in later jaren niet zonder glimlach kan terugdenken. Toch zou het onraadzaam zijn die uitingen van den opgewonden geest te willen bedwingen. En ook moet er niet altijd een mentor bij zijn, om dadelijk het beslissend oordeel te doen hooren. Laat onze jonge mannen maar eens uitpakken nu en dan ; zij hebben het noodig en het vormt den geest. Er zullen ook wel geen wereldschokkende gevolgen uit voortkomen.

Onze studeerende jongelingschap heeft het voorrecht zich aldus te kunnen uitspreken in haar clubs, wier herinnering ons later nog het versje te binnen brengt:

»'kWeet niet, wie 't meest mij dienden,

«Mijn meesters of mijn vrienden ;

»Wel, dat mij beider liefde

»En beider vriendschap heugt!"

Onze jongelingsvereenigingen hebben daar wel eens te weinig van, al wordt het in de groote steden reeds veel beter. Onze onvergetelijke agent, wijlen de heer Schlitt, sprak altijd van de drie V s : vrij, vroom en vroed, die het karakter van onze jongelingen en hun vereenigingen moesten uitdrukken ; maar dan moesten zij ook alle drie even duidelijk uitkomen; „vroom en vroed".... uitnemend! Maar ook vrij tegenover elkander met rondborstige openheid.

Dat de ouderen de jongeren leiden.... voortreffelijk en ik denk hier in het bijzonder aan allen, die in het Evangelie arbeiden en in dit werk een zeer belangrijk deel van hun taak mogen zien. Maar zij moeten er niet altijd bijzitten; ook indirect, door hun onderwijs en omgang, kan hun invloed groot zijn.

Is nu dit karakter van onze jongelingsvereenigingen een bereikbaar ideaal of moet het een utopie blijven? Laat ons in de eerstvolgende vijftig jaar krachtig blijven voortwerken, om het een meer en meer bereikt ideaal te doen worden !

D. J. KARRES.

Sluiten