is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek van het Nederlandsch Jongelingsverbond 1853-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Christ ist erstanden

Aus der Verwesung Schooss: —

Reisset von Banden

Freudig Kuch los!

Thatig Ihn preisenden,

Liebe beweisenden,

Brüderlich speisenden,

Predigend reisenden,

Wonne verheissenden,

Euch ist der Meister nah

Euch ist er da!"

Nu restte nog een schoon muzieknummer, het welbekende „Hollands Glorie" van R. Hol, door Mannenkoor der Amsterdamsche Zangvereenigingen en Bondsafdeelingen.

De laatste Feestredenaar, ds. F. Groote, sprak daarna nog een kort slotwoord. Hij zeide het volgende: ')

(iij kent allen de geschiedenis van Samuël, den voortreffelijke; de ongunstige omstandigheden waaronder hij vaak moest optreden en de moeite, die hij te doorworstelen had. Vooral hoogst pijnlijk was voor hem de taak, den last te volvoeren dien zijn God hem gaf, toen Saul verworpen, een nieuwe beheerscher des volks zou gekozen worden. Maar van die geschiedenis spreken we nu niet, alleenlijk zij het volgende herinnerd: Samuël komt te Bethlehem ten huize van Isaï. Hij laat diens zonen voorkomen en het eerst verschijnt de oudste, Eliab geheeten. Een kloek man, eene koninklijke figuur, een van wien ieder zeide, dat, uiterlijk, deze mensch alleen had, wat een Koning sieren kon, van wien men toch ook houding verwacht. Maar Eliab is de bedoelde niet; het gaat bij God anders dan bij de menschen. Deze zien aan wat voor oogen is; hen trekt het uiterlijk, zonder er altijd op te letten of dat uiterlijk openbaring is van het innerlijke. Maar God doet anders. Hij ziet het hart aan. En Eliaü's hart was blijkbaar geen koninklijk hart. Zoo gaan al de zeven zonen langs Samuël. En als niemand meer verschijnt, dan zegt Samuël; Zijn dat al de Jongelingen?

Aan die vraag dacht ik, toen ik overlegde wat ik heden avond zeggen zou. Nu zal ik niet veranderen deze vraag en zeggen: Zijn deze allen die hier zijn jongelingen ? Neen, gelukkig niet. Ik zie ouderen en ouders, ook mannen, wien de jongelingsleeftijd langer of korter voorbijging, edoch die heel wat ondervonden hebben, sedert zij jongelingen waren. Ouder geworden in leeftijd, doch ook in kennis, wijsheid en ervaring. Zullen er hier ook niet zijn, wier namen vroeger bekend waren in den kring van het Jongelingsverbond? O, ik hoop dat zij dezen avond nog eens zullen gevoeld hebben levendig in zich het oude vuur der geestdrift, waarmee zij eens bezield waren; de oude liefde, die tot machtige dingen in staat stelde, en dat hun nog eens, maar niet tot beschaming, de vraag voor den geest kome: hoe hebben wij beantwoord aan wat men van ons, als leden eener Jongelings-Vereeniging, verwachtte.

Dus niet de vraag: zijn deze allen jongelingen, al moeten de ouderen zich een heeten met de jongeren in den strijd tegen de zonde, die' ons altijd omringt en traag maakt, tegen het ongeloof, dat onder welken vorm ook optredend, gevaarlijk is en gevaarlijk blijft; tegen iedere beweging, die niet uit God is. In deze dingen maakt leeftijd noch rang verschil, hierin zijn allen één.

Nog eens, niet de vraag; zijn deze allen jongelingen? Want we zeggen: neen, deze zijn, allen die zich hier bevinden, menschen van verschillende jaren, maar wel; zijn dit de jongelingen allen? Zie, ik noem u Christelijke jongelingen; want van hen die tot eene Christelijke Jongelings-Vereeniging behooren mag verwacht worden, dat zij prijsstellen op dien naam en zeker die levensrichting hebben, die naar Christus uitgaat. Van hen is te verwachten, dat zij Hem zoeken. Hem wenschen te bezitten en het liefst Zijn eigendom zijn. Immers men gaat van Christus af of naar Hem toe, en een Christelijk jongeling kan niet anders dan tot Christus heengaan.

Doch allen die dit wenschen, zijn hier niet. Hoe zou dit komen? Daar staat nog eene groote schare buiten de vereenigingen. Het bevalt hun daar niet, of eene vereeniging trekt hen niet genoeg. Misschien is hun het werk van menige vereeniging te eenzijdig, althans niet veelzijdig genoeg. En al is het jammer, maar het feit is toch zoo, velen onzer belangstellende jongelieden komen niet. Men mag daarom niet met sommigen hen goddeloos of onverschillig heeten. Want dat zijn ze niet; maar immers den een trekt dit, genen iets anders. En iemand, die de vergaderingen van deze dagen, de samenkomsten der jongelingen had bijgewoond, werd gevraagd: Zijn dit de jongelingen allen — dan zoudt ge hebben kunnen zeggen — neen niet alzoo, er zijn er hier meer niet dan wel.

*) In extenso: De rede werd in verkorten vorm uitgesproken.