is toegevoegd aan uw favorieten.

Langs Holland's stroomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« de Noord », heeft meer haar éigen mooi, en daarom is de reis tusschen de beide eindstations vooral interessant. De reiziger, die uitgekeken is op «de Noord», zal op «de Merwede» opnieuw zijn belangstelling geprikkeld voelen.

Men kan dat vooral constateeren als men met ontwikkelde vreemdelingen reist, die werkelijk gekomen zijn om Nederland te zien. De reis tot Dordt heeft hun belangstelling geboeid, onafgebroken — dan hebben zij Dordt gezien, de stad die het krachtigst van alle Hollandsche steden een entourage is voor het zeventiende-eeuwsche leven, — en daarna «de Merwede», de rivier par excellence!

Van de Groothoofdspoort, het aanlegpunt der booten, is de Dordtsche wal spoedig vergleden in het land en dan is de boot weer op de blanke, spoelende rivier. Door een volte van vracht- en sleepbooten, die hier gemeenlijk op stroom liggen als een deel voor Antwerpen's verkeer, peddelt zij heen, en daarna is haar weg vrij, het uitzicht naar beide zijden onbegrensd.

Dan staat plotseling, in een bocht aan de rechterzijde, als een stompig overblijfsel uit den romantischen tijd, de ruine van een oud slot, droef eenzaam in een dikke krans van oude boomen.

Het is de ruïne van

HET KASTEEL TE MERWEDE.

De hierboven reeds genoemde beschrijvers van Dordtsche oudheden deelen over dit kasteel en zijn ruïne een en ander meê, waaraan wij enkele bizonderheden voor den reiziger langs dezen Hollandschen stroom willen ontleenen.

De juiste tijd der stichting van dit Kasteel is niet te bepalen. Hoogstwaarschijnlijk is het een dier versterkte burchten geweest, die, gelijk Regino, abt van Prum, een schrijver der ioe eeuw, meldt, door de Frankische vorsten, aan de oevers der rivieren, tegen de Noormannen opgericht en daarna door de vroegste graven, als landvoogden of stedehouders dier vorsten, betrokken zijn geworden, hetzij tot bestendig verblijf, wanneer zij zich in Zuid-Holland ophielden, hetzij tot tijdelijke huisvesting, wanneer zij tot uitoefening van het recht in hunne Graafschappen rondreisden.

Er zijn daarvan geen bewijzen uit de tijden van Gerolf of der eerste Diede-