Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Telkens moet ik weiflend poozen,

Als een arm van 't beekje scheidt:

Welke naar de bron mij leidt?

Op geluk af moet gekozen.

Daar een heuveltje afgekomen,

Zie 'k een spreng in plaats der beek,

Zie 'k een vlakke, kale streek,

Paarse heide in plaats van boomen.

Aldus schilderde C. Honigh dichterlijk zijn wandeling in het Wolfhezer bosch. Ook Potgieter was vol bewondering voor „Wolfhezens lief gelegen dal" en voor liet bosch waar

liet geestig spel van licht en schaauw,

In deinzend grijs met gulden blauw,

Een zweem van zon door 't wolkengrauw Het lieflijk landschap doen verkwikken;

Hier eiken met hun zware kroon,

Daar berken, zilverig van toon,

Langs heuvlen zich om 't beekje schikken!

Ten slotte citeeren wij J. J. L. ten Katc, die Wolf hezen in 1853 bezocht en dit bosch, hetwelk hij zijn „Eden" noemt, aldus roemt:

O mengeling van ritselende geuren!

Welriekende geluiden, die daar zucht!

O wisslend spel van schaduwen en kleuren!

Veelstemmig choor der geesten in de lucht!

Wel ken ik u. Ruischt, boomen uit mijn Eden!

Mijn heuvels, golft! Zingt voort, mijn nachtegaal!

Blauw wolkje omhoog, blauw beekje hier beneden,

Mijn oog, mijn oor, mijn hart verstaat uw taal!

Mij straalt, mij spreekt een liefelijk herdenken

Uit kleur en klank betoovrend tegemoet:

'k Zie beelden door de dichte takken wenken,

En schimmen gaan voorbij in rozengloed.

Het vriendelijk beekje, dat uit het Wolfhezensche bosch te voorschijn komt, slingert een guirlande van groen langs zijn oevers over de heiden, die zich aan beide zijden uitstrekken, en richt zich naar Heelsum, zoo hier en daar door zijn

arbeidsvermogen watermolens drijvend.

Heelsum is een klein dorp, vol afwisseling, welks woningen langs de hellingen der heuvels om de beek verspreid liggen. Een merkwaardig plekje vormt de hoogte waarop, het oude, eenvoudige Protestantsche kerkje zich verheft, door eenige linden omringd, met een bosch van knoestige dennen er naast; het is

Sluiten