Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kervel, Enghuizen, Hagen, liet Huis-te-Ruurloo, Medler, den Wildenborch, Brantsenburg, het Huis-te-Baak, Holthuizen, Spaansweert en Heinenoord; III. in het Rechterambt Doesburg: het Huis-te-Keppel, Keil, Bingerden, den Ulenpas en Barlham; IV. in liet Schoutambt Lochem: adellijke hofsteden Verwolde, Oolde, Ampsen, Langen, de Cloese, Diepenbroek, Nettelhorst, Heest en Overlaar; V. in het Drostambt Bredevoort: de adellijke sloten Waliën, Beurse, Plekkenpol en Walvoort; VI. in de heerlijkheid Borculoo: Tengnagell, Kyveldt, Fokking, Amerschot, Bevervoorde, Marhulsen, Bloyshuis en Botshuis; VII. in de heerlijkheid Lichtenvoorde: het Huis te Harreveld. Daarnaast moeten wij nog noemen de vier bannerijen: Bronkhorst, 's-Heerenberg, Wisch, Bahr en Lathum, en de negen heerlijkheden: Borculo, Bredevoort, Gendringen en Etten, Didam, Westervoort, Lichtenvoorde, Verwolde, Lichtenberg en Keppel, geheel onafhankelijke territoren, alle met eigen heeren en kasteelen.

Doordien liet land aldus met aanzienlijke huizen overdekt was, door de landheeren zelf bewoond, ontstond er veelal een gemoedelijke, schier patriarchale verhouding tussclien heeren en boeren, eigenaars en pachters in het Zutfensche. Afgelegen van de centra van het groote verkeer, niet zoo overheerscht door koopsteden en rijk geworden handelaren, maar de bevolking in betrekking tot familiën, die gedurende vele generaties op de aanzienlijke huizen bleven wonen, zoo ontstond er bij de aanzienlijken ook een gevoel van verplichting tegenover de minderen, dat aan de lang nog feudale toestanden een verzachtend, vaderlijk karakter gaf en ze deed uitmunten boven die, welke enkel op individualistische geldstaathuishoudkunde berusten Het is, of de bevolking van dit gewest, opgevoed gedurende eeuwen in deze school, daarvan den stempel draagt. Goedhartig, vriendelijk, beleefd tegenover eiken vreemdeling, gul en eenvoudig, dat zijn de kenmerken der landbevolking, liet stijve, hoekige van den Veluwenaar vindt men hier niet; het eerlijke, ronde in de Gelderschen uit deze streek deed Staring zingen:

Ik ben van Geldersch bloed Geen vleitoon klinkt mij zoet,

Mijn volksspraak, luttel rond,

Geeft mij den klank terug Uit onzer vaadren mond.

Ik ben uit Geldersch bloed,

Oprecht is mijn gemoed,

Aan eenvoud heb ik lust,

Met pracht en weeld komt zorg,

Genoegzaamheid baart rust.

Het sterkst vindt men dit karakter uitgesproken in het westelijk gedeelte, in het land van den IJsel tot de lijn Borculoo—Ter-Borg, waar de landbouw de III. 15*

Sluiten