Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOOR HET RIJK VAN NIJMEGEN EN HET LAND VAN MA AS-EN-WA AL.

NIJMEGEN.

O stad van licht, met zilvergouden gloor,

Op 't spieglend water, dat, vlak uitgespreid In nachtvree, tot ontvangenis bereid Uw pijlend glansgetril in zich verloor.

En opwaart slingert zich de straat, waardoor Geel-roode stippen gloeien; majesteit Omgeeft het Valkhof, droomend van den tijd,

Toen Keizer Karei daar zijn rust verkoor.

Laag hangt de maan een oogstmaan, rossig goud,

Allangzaam nederdalend op de stad,

Terwijl zij ernstig in het water schouwt.

Hoog rijst de hemelwelving, blauwig-teer,

Die wolk'loos toont haar gouden sterrenschat,

En 't water kaatst hen alle lieflijk weer.

Edward B. Koster.

In 't edel, lustig Gelderland,

Alom befaamd door zijn landouwen En vruchtbre beemden, dicht beplant,

Gansch schoon en sierlijk in 't beschouwen,

Ligt een vermakelijke stad,

Zoo aangenaam als welgelegen,

Die van d' aloudheid als een schat Ons ov'rig is, genaamd Nijmegen,

Een schoone stad, vermaard alom,

Vermaard door haren ouderdom.

Arkstee. (Nijmegen, de oude hoofdstad der Batavieren, 1788).

Het Diluviale heuvelland van Kleef zet zich naar het noorden voort door het Neder-Rijkswald, 0111 in een spits te eindigen tegen de lage landen der Betuwe. In de oudheid splitste de Rijn zich veel hoogerop in Duitschland, zoodat de Waal langs Kleef liep, onmiddellijk langs de hoogten, verder langs den voet der heuvels van Berg-en-Dal en Beek, waar men in de graslanden het lange, smalle Wylermeer nog ziet, een overblijfsel van een ouden rivierarm, en zoo naar het N.W., om zich bij den eindhoek der heuvels om te buigen naar het westen en als \\ aal verder te stroomen. Eerst in later tijd vond de Rijnsplitsing bij Lobit, nog

Sluiten