Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vruchtlichamen, aanvankelijk lichtrood, later bruin, hebben een pseudoparenchymatischen wand, springen met een behaarden porus open; korte, dunne dragers snoeren conidiën af, die, door slijm verbonden, als draad uitschuiven; de breedte van de pyknide is 0.20 tot 0.35 mM., de hoogte het 2/ö gedeelte daarvan ; zij liggen onder de oppervlakte en doorboren die met den top; de conidiën zijn ééncellig, ovaal, aan beide uiteinden afgestompt, iets ingesnoerd in 't midden, hyalin, met twee lichtbrekende droppels, de lengte is 5 tot 5,5 mikron, de dikte 2 tot 2.28 mikron. Dan gaat Ritzema Bos de vijf Phomasoortew, door zijn voorgangers op koolstengels en wortels gevonden, na, aan de hand van Allescher (38), en bevindt, dat de beschrijving van Phoma oleracea Saccardo volkomen voor de kankerzwam past.

Dei „acroix (36) had reeds vroeger op mergkool in de Vendée een zwam gevonden, die zich alleen in dit opzicht van de hierboven beschrevene onderscheidde, dat de conidiën 3 tot 4 mikron lang, 1,5 tot 2 mikron breed, en niet van lichtbrekende droppeltjes voorzien waren; voorwaar een zeer onbelangrijk verschil. Allescher zet dan ook deze laatste, die door Delacroix Phoma Brassicae genoemd was, als synoniem bij Phoma oleracea Saccardo.

In 1905 en 1906 heb ik de zwam zoo her' aaldelijk op zieke koolplanten gevonden en bestudeerd, dat ik nog iets aan de beschrijving kan toevoegen, het verschil tusschen Delacroix en Ritzema Bos overbruggend: Aanvankelijk zijn de pykniden bolrond, later afgeplat; slechts zelden bereikt de breedte :)/2 van de hoogte; soms, als er twee dicht tegen elkaar aanliggen, zijn zij tangentiaal afgeplat; de wand is eerst kleurloos, dan schijnen de rose sporen er door heen; later wordt de wand bruin en bijkans ondoorschijnend; de conidiëndragers verslijmen, vandaar dat zij in de rijpe pykniden moeilijk of niet te herkennen zijn; wanneer eenmaal een conidiën-massa is uitgedreven, gaat de pyknide nog voort met het vormen van sporen; als ook deze zijn uitgedreven, is het heele inwendig gedeelte van den vruchtwand verslijmd, en blijven alleen de buitenste, bruine en harde lagen over; de lengte der conidiën bedraagt van 2,8 tot 4,9 mikron; de dikte van 1,6 tot 2 mikron; wanneer zij langeren tijd in water of voedingsvloeistoffen liggen, zwellen zij op; kort voor de kieming zijn zij nog belangrijk grooter en bijna bolrond; de twee lichtbrekende droppeltjes in de conidiën zijn niet altijd zeer duidelijk. (Figuur 40 is, na voorafgaande studie van een groot aantal microtoomcoupes, geteekend). De vruchtlichamen ontwikkelen zich alleen op geheel afgestorven weefsel, dus saprophytisch, zooals dat b.v. ook bij Nectria cinnabarina het geval is.

Sluiten