Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de aarde ten hemel te voelen opvoeren. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit genot zoo zelden schenkt ? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, evenals aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons neêr te dalen ? Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. Ik heb ontzag voor Vader Homerus en Grootvader Herodotus, voor wijlen Cicero en Seneca zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als het papier sans fin van onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou kunnen teekenen, en in de boschjes van Tusculanum, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is met Quinctilianus als met zijn Rector, en met Aristoteles als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen van het gestorvene Rome of begraven Athene eigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en met Sulpicius langer rouw draagt over Tullia, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke Elysium zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat verdwijnen zonder ze vast te houden; dan vrees ik, dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat als velen in de menschenwereld, van goede aan adellijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden en ze, even als de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mijzelven die vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de andere zijde is, en nu niet verder naar zijne vermaningen zou luisteren. Ik weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Vandaar dat ik mijn Album

Sluiten