is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarheid en droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit gazen nevel verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.

De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk, maar een breede klove scheidde hen. Alwine was een dochter van de Moederkerk; Alfred was een zoon van de kerk der Reformatie. Het meisje, wier liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen ; maar haar vader verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart: er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man, die haar begreep noch verdiende ; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar, dan zij verdiende : ongenadig als een stormwind drukte hij op het broze riet, zoodat het krookte en spoedig geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededoogen de kwijnende Alwine opwekte; menig oog dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de brandende waslichten rondom haar... Ja zal ik het bekennen ? in de verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels voorkwamen :

Beklaag Alwine, in 's levens bloei vergaan!

Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!

Nog is zij schoon, maar aaklig schoon ! en de oogen Beweenen haar, die haar bewondren mogen.

Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans Week 't leven uit de witheid van dien glans.

Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem Haar zielloos schoon met eigen amberwasem.

Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,

Maar 't is ondanks haar wil, zoo als de knop,