Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken dat ik een portret schilderde . .. ach, ik kan immers de geheele geschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken :

Ruiten-troef!

Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde Ik loop even als Diogenes met een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb ; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde terugkom ; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmee ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden ; ik alleen ben nog altijd dezelfde, kinderlijke, dwaze, arme Jonathan van voorheen.

Als ik dit zoo aanzie ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte: Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ik gesint als een kindt, overleyde ik als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen 't gene eens kindts was. — Mannen zullen wij worden ; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kinds Jonathans is, moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen zijn zooals zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel en het hunne een doofpot is. Als ik integendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten, dat de ziel haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid": dan zouden de beelden, die ik met zooveel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als engelengestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen en gezamenlijk biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd !

Sluiten