Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anderen ook uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en der liefde mede!

En boven mij zongen de leeuweriken altijd hun vroolijk morgenlied.

De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar Delft, dan naar het graf. Rondom dat graf zouden al de dierbaarste betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den jeugdigen man, die thans Willem III heet.

Willem III! Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins Willem en Prins Alexander die destijds kweekelingen der alma mater Leidensis waren. Waarlijk, men had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te clroomen. Wat is er van dien droom geworden ? Ga naar het praalgraf der Nassau's te Delft, en vraag den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins Alexander werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te dankbaarder zijn wij voor Prins Willem, dat zijn levensdroom zich aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft de kroon verkregen, die hem voor de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn ? Ziedaar eene vraag, waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal hij dier krone wezen ? Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijf* ontbreken. En toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige, een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De omstandigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans op hem rust. De dood en de begrafenis zijn vaders heeft hem toegeroepen:

Sluiten