Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft deze hem genadig behandeld. Terwijl deze naar leenrecht niet alleen zijn leenen, maar ook zijn familiegoederen verbeurd had, liet de Keizer hem deze, Brunswijk en Liineburg, behouden. Maar verder moest Frederik aan de vijanden van den Welf genoegen doen; Hendrik werd van zijn leenen beroofd en uit Duitschland verbannen; onder eede moest hij beloven, daar niet zonder 's Keizers toestemming terug te keeren. De trotsche Leeuw verkreeg een schuilplaats aan den haard van zijn schoonvader Hendrik II; zijn rol in Duitschland was uitgespeeld.

Zoo was de gevaarlijkste tegenstander des Keizers overwonnen. Maar niet deze zelf plukte de vruchten van zijn overwinning. Niet alleen de Keizer, maar ook en vooral de rijksvorsten waren door den machtigen Welf bedreigd geweest; door hun hulp voornamelijk had Frederik hem kunnen overweldigen: zij waren het, die hun macht op de puinhoopen der Welfische vestigden. In plaats van de groote hertogdommen kwamen de kleinere vorstendommen, een verandering, die de handhaving en versterking der Keizerlijke macht zeer bemoeilijkte en ten slotte voor Duitschland allernoodlottigst is geworden. Duitschland werd een in tallooze onderdeelen versnipperd rijk, dat zelfs de krachtigste Keizer niet meer zou kunnen verdedigen, laat staan bij elkander houden. De tijdgenooten zagen dat natuurlijk niet duidelijk in. Voor hen bleef Frederik de machtige Keizer, die zijn vijand had verpletterd. Deze roem kwam hem bij de regeling der Italiaansche aangelegenheden zeer te stade. De afwikkeling daarvan werd bovendien zeer vergemakkelijkt doordat Alexander III in 1181 stierf en werd opgevolgd door den meer vreedzamen Lucius III. Door een opstand uit Rome verdreven, zocht hij hulp bij den Keizer. Maar deze stelde aan Lucius den afstand der goederen van Mathilde voor tegen ruime financieele schadeloosstelling. De Paus wees dit aanbod af; hij brak daardoor met den Keizer, die zich nu tot de Lombardische steden wendde om met haar vrede te sluiten. Deze hadden slechts noode in den wapenstilstand van Venetië toegestemd; toch wenschten zij geen nieuwen oorlog; zij waren geheel geïsoleerd en hun bond was door desertie zeer verzwakt. Zoo zochten zij toenadering tot den Keizer, die zelf evenmin een nieuwen oorlog wenschte. Waar aan beide zijden deze gezindheid bestaat, is men het spoedig eens. De steden eischten volledige erkenning van haar zelfregeering en consulair bestuur; formeel wilden zij echter de opperheerschappij van den Keizer wel erkenden. Bovendien eischten zij de intrekking van alle voor haar nadeelige Keizerlijke besluiten; Alessandria zou in al zijn rechten worden erkend. Over deze punten werd nu in den winter van 1183 te Neurenberg onderhandeld. Frederik gaf op alle punten toe. Alleen beloofden de steden den Keizer jaarlijks 15,000 imperialen te betalen. Zoo werd d&^rede van Constanz gesloten, die den 298len Juni 1183 plechtig door den Keizer, zijn zoon Hendrik en de < Duitsche vorsten werd bezworen. 4

Eervol en vrij waren de steden uit den strijd te voorschijn gekomen;

A** 43

Vrede van Constanz, 29 Juni 1183.

Sluiten