Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hendrik

van Veldeke.

sagenkring eindelijk, de Noordsaksische, schiep de figuur van Gudrun, wier epos naast de Nibelungen zeker de parel der Germaansche heldensage is.

Het is hier natuurlijk ondoenlijk al deze sagen en epen, die onderling en op hun beurt weer samenhangen met Noordsche overleveringen, te beschrijven of zelfs maar te noemen. Wij wijzen er alleen op, dat ook Duitschland zijn nationaal epos had. Maai- naast dit nationale epos ontstond weldra een op

Fransche leest geschoeide letterkunde, die het eerste wel niet verdrong, maar toch ter zijde plaatste. De grondlegger van die literatuur is de Limburger Hendrik van Veldeke. Door zijn Eneït voerde hij den Franschen classieken roman in Duitschland in; maar den grootsten invloed had hij door zijn vertaling van tal van Fransche minneliederen. Zoo werd hij de vader van den Duitschen hoofschen minnezang. Talrijk zijn zijn navolgers geweest in deze zuivere kunstpoëzie, die weldra geheel zelfstandig van de Fransche modellen haar weg ging. Niet alleen de Fransche minnezangen, maar ook het epos werd nagevolgd en voor een deel vertaald. Wolfram von Eschenbacli, de diepzinnigste en veelzijdigste dichter der Middeleeuwen, heeft in den Parzival, den Titurelenden Willehalm drie meester¬

werken geschapen, die ver

boven de Fransche origineelen staan in stoutheid van gedachte en diepte van opvatting. Zijn tijdgenoot was Godfried van Straatsburg, wiens minneliederen terecht beroemd zijn gebleven, maar wiens Tristan en Isolde door alle tijden door innemende bekoorlijkheid en meesleepende levendigheid steeds bewonderd zal worden. Naast deze beiden staat de meer eenvoudige Hartmann von Aue, die den Erec en den Iwein vertaalde en de kleinere epen Gregorius en Der

Godfried van Straatsburg.

^:

Hartmann von Aue.

Wolfram

von Esclienbaeh.

Walter von der Vogelweide.

Miniatuur in een liederbundel in. de Koninkl. Bibliotheek te Stuttgart.

Sluiten