Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoort, wordt benauwd en geeft aan Jan De Witt kennis van De Ruiter's plan. Een ernstige brief van De Witt aan den Kommissaris is het gevolg: mocht de gemelde Vice-admiraal Lawson of eenig ander Opperhoofd van de Engelsche vloot andermaal in gebreke blijven, de contra-salutatie te doen, dan zal de Vice-admiraal De Buiter in zulken cas daarop dienen te verzoeken speciale resolutie en ordre van de Heeren Staten-Generaal; de Heer Kommissaris zal wel zoo goed zijn, het bovenstaande, benevens De Witt's dienstige gebiedenisse, aan den Vice-admiraal De Ruiter te communiceeren. De Ruiter voegt zich naar dien last; hij, de dienaar, naar het inzicht zijner meesters, zijner van God verordineerde Overheid. Duidelijk blijkt ook uit deze verhouding van De Ruiter tot de Heeren Staten, hoezeer de zeventiende eeuw de eeuw is van het gezag. Zijn levensbeschrijver Brandt is van dien eerbied voor de gestelde machten evenzeer doordrongen als De Ruiter zelf.

Toen de Luitenant-Admiraal in 1665 na een zeetocht tegen de Engelschen in Den Haag verslag kwam doen van zijne verrichtingen, werd hij, vertelt zijn levensbeschrijver ons: „met groot bewijs van hoogachting bejegend"; hij mocht namelijk zijn verslag doen, op een stoel zittend en — evenals de Heeren Staten zelve — met gedekten hoofde. Ook in een daaropvolgende vergadering der Admiraliteit van Amsterdam mag hij — Brandt verzuimt alweer niet het ons mede te deelen — op een stoel gezeten, de door hem veroverde vlaggen aanbieden. Dat de grootste zeeheld zijner eeuw voor Hunne Hoogmogenden niet behoeft te staan, acht Brandt blijkbaar een hooge eer. Wanneer De Ruiter op het punt staat zijn laatsten tocht te aanvaarden, verschijnt h\j opnieuw in de vergadering van Hunne Hoog-

Sluiten