Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogenden. Ditmaal schijnt Brandt niet geheel tevreden over de ontvangst: De Ruiter mag wel zitten, echter „op een gewonen stoel, zonder armen". Dat er geen leuningstoel af kon, kan Brandt blijkbaar niet goed zetten; maar — ook hij is een kind van zijn tijd — hy zet een wacht voor zijn lippen.

Nergens zien wij den nobelen deemoed van dezen trouwen dienaar omstraald van heller licht dan in het laatst van zijn leven, toen hy er bezwaar tegen maakte met een zwakke vloot naar de Middellandsche Zee te gaan, waar een sterke Fransche vloot hem wachtte, waar hij van een Spaansch hulp-eskader weinig verwachtte. Een der leden van een Admiraliteits-college — Brandt heeft den man gespaard door zijn naam te verzwijgen — vroeg De Ruiter: of hy op zijn ouden dag bevreesd werd en den moed liet vallen. Hoe beschaamt hy den vrager met zyn antwoord: „ik heb mijn leven veil voor den Staat, maar het is mij leed, dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben." — "Wanneer dan de overige „Heeren" herii verzoeken, ondanks zijn afwijkende inzichten toch in zee te gaan, ontvangen zy dat gedenkwaardig bescheid, klassiek in zijn ernst en eenvoud: „de Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden, en al wierd mij bevolen 'sLands vlag op een enkel schip te voeren, ik zou daarmee t'zee gaan, en daar de Heeren Staten hunne vlag betrouwen, zal ik mijn leven wagen."

Diezelfde oprechte trouw zien wij hem betoonen aan zijn reeders in dat bekende verhaal van het stuk laken dat de Sant van Salee beneden den prijs van hem wil koopen; diezelfde trouw aan Tromp dien hij komt ontzetten in de slagen bij Schooneveld en bij Kijkduin; aan de De Witten, belasterd en bedreigd; diezelfde trouw ook aan zijn vaderland.

Sluiten