Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verschriklykheden des doods driemaal achtereen van het begin tot het eind. Den dood gestadig indachtig, zoekt hy telkens kracht in het gebed. Toen hy eens zyn intrek genomen had in een herberg op het Haringvliet te Rotterdam, hoorde iemand hem in zijne slaapkamer bidden: „Geef my, Heer, een deemoedigen geest, opdat ik my op mijne verheffing niet verhoovaardige. Sterk my in 't bedienen van myn hoogwichtig ambt. Verleen mij een heldenhart, en laat my zoo deerlyk niet sneuvelen als myn voorzaat; maar spaar my ten dienst en nut van 't vaderland."

Dat alles heeft God hem gegeven. Niet als Wassenaar—Obdam door een plotselingen dood verrast, heeft hy zich kunnen voorbereiden op den dood dien hy zoo weinig vreesde, overgang immers tot een beter leven waarnaar hy verlangde. „O God, gy zyt myn God, ik zoek u in den dageraad, myn ziele dorst naar u, myn vleesch verlangt naar u, in een land dor en mat, zonder water" — zóó hoort men hem bidden, waar hy in zijn schip de Eendracht met gevouwen handen op zyn sterfbed ligt. De wondkoorts verheft zich, wordt feller en feller, sloopt de kracht van dezen sterke. De voorteekenen des doods gaan zich vertoonen. De spraak begint hem zwaar te vallen. Eindelyk houdt zy geheel op. By de gebeden die zyn predikant voor hem uitstort, kan hy slechts zyne zuchten voegen. In den avond van den 29en April des jaars 1676 ligt hy nog eenige uren sprakeloos in de benauwdheid des doods. Verscheidene zyner bevelhebbers en kapiteins staan met de oogen vol tranen om den grooten Admiraal, wiens ziele „zeilvlug is om door d' aders uit te varen.' Tusschen negen en tien uren sterft hy zacht. )>De eindelooze slaap had zyn wakker oog beslopen "

Sluiten