Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HU beval dat men 't met klein zeil zou laten voortgaan en de vuren, als van een oorlogsschip, doen oplichten, op hoop dat de vijand, zijn schip daarvoor aanziende, dat niet zou zoeken, maar laten varen. Dit werd gedaan en hij ontkwam 't gevaar, terwijl verscheidene anderen van zijn gezelschap, die snel voortzeilden, genomen werden.

Bij een andere gelegenheid bediende hij zich van een ander en schrander bedenksel om 't geweld der vijanden met een aardige list te leur te stellen. Hij lag, uit Ierland komende, in een tijd dat de zee van Duinkerksche roofschepen krioelde, met verscheidene andere koopvaarders, met zijn schip, dat slechts acht of tien stukken voerde, in een haven van 't Kanaal, of gelijk sommigen meenen te Wight, en overlegde, toen er een goede wind woei, op welke wijze dat hij zijn reis, nu de winter op handen was, het beste zou kunnen vervolgen, hoewel geen van de andere schepen, uit vrees voor den vijand, 't anker durfde lichten. Eindelijk bediende hij zich van oude bedorven Iersche boter en beval zijn schip van buiten en op sommige plaatsen van binnen, ook het want, met die boter dik te besmeren en zoo besmeerd onder zeil te gaan. Dat werk werd verricht en niet lang daarna kwam er een Duinkerker, die hem aan boord lei en enterde: maar alles was zoo glad en glibberig door de boter, dat de vijanden nergens vat aan vonden, en die over kwamen konden gaan noch staan, maar yleden, glipten en vielen, als op glad ijs, onder en over elkander heen, zoodat hij ze na een kort gevecht afsloeg en zijne reis ongehinderd vervolgde. Dus kwam hij met zijn besmeerd schip te Vlissingen, waar zijne reeders zijn krijgslist met hunne oogen zagen, en zich over zijne behouden reis verheugden.

Ook wordt verhaald, dat hij op een anderen tijd

Sluiten