Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Straatsvaarders l), die zeer verstrooid waren, moest passen. Na 't gevecht stond de Kommandeur De Ruiter, ziende op de ongelijke macht, zelf verwonderd over de uitkomst, en men hoorde hem sedert zeggen: als de almachtige God kloekmoedigheid wil geven, dan verkrijgt men de overwinning. Dit werk is door God zoo bestierd, zonder dat wij daar reden van kunnen geven. Men vond toen op de Nederlandsche vloot, die niet een schip had verloren, ongeveer vijftig of zestig dooden, en veertig of vijftig gekwetsten. Het schip van den Kapitein Andries Fortuin, van Zierikzee, was door 's vijands geschut schendig getroffen: de beide pompen waren ten halven afgeschoten: de masten op drie of vier plaatsen doorschoten : 't had ook zeven of acht schoten onder water, zoodat men 't daarna met veel volk en timmerluiden te hulp moest komen, om het noodigste te herstellen, en 't schip bij de vloot te houden. Voorts dreef De Ruiter met de zijnen den ganschen nacht (die besteed werd met de masten te wangen, en de zeilen en 't want te herstellen) met klein zeil: ook met drie vuren achterop, en een in de mars; opdat de koopvaarders hen in 't duister mochten kennen, en de vijanden, indien 't hun goed dacht, bij hen blijven. Maar des morgens zagen de Nederlanders dat de Engelschen wel derdehalve mijl in den wind van hun waren. De Kommandeur De Ruiter riep toen al de Kapiteinen aan boord, en men besloot, de vijanden tot den middag toe te vervolgen, en, indien ze geen stand hielden, dan de Straatsvaarders voort te zenden. Daarop zocht 's Lands vloot de vijanden te naderen, met hun tot na den middag zuidwaarts overloopende, teneinde dat ze zouden afkomen: doch niet komende, liet men de koopvaarders

") Walvischvangers (die door straat Davis voeren).

Sluiten