Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den naam van de Vice-Admiraals De Ruiter en Meppel, en den ganschen Krijgsraad, geschreven, werd den Engelschen aangezeid, dat ze het kasteel, met al zijn geschut, krijgsbehoeften en koopmanschappen, en al wat die van de Engelsche Afrikaansche Compagnie de Hollandsche West-Indische Compagnie zoo onrechtmatig, en tegen alle reden, hadden benomen, weder hadden over te leveren: of dat men hen, in geval van weigering, met alle kracht zoude aantasten, en in de hitte van 't gevecht niemand sparen: dat ze derhalve spoedig zouden antwoorden; 't geen men wenschte dat ten gemeenen beste en te hunner behoudenis mocht strekken. Doch de Engelschen weigerden den brief te ontvangen, of den afgezondene te spraak te staan, roepende, „Komt morgen vroeg." Met den dag voer Jonker van Koeverden met de sloep, en een witte vreêvlag, weêr naar 't kasteel, om den gèmelden brief over te leveren. Maar dicht aan land komende, werd van de Negers, die in groote menigte achter hunne kano's, met zand gevuld, verborgen lagen, zoo fel met musketten op de sloep en Hollanders (hoewel men wenkte dat ze aan land zouden komen) geschoten, dat de kogels rondom de sloep vlogen, zonder nochtans iemand te raken. Dat schieten op een sloep, die de vreêvlag liet waaien, bij geen Ghristenmenschen ten oorlog gebruikelijk, gaf genoeg te kennen^ dat men naar geen woorden zou luisteren. Hierop riep De Ruiter den Krijgsraad bijeen: daar besloten werd tot het uiterste te komen. Men beval vijf van de lichtste oorlogsschepen, dat ze 't kasteel aan den waterkant zouden naderen en beschieten: en ter zeiver tijd bracht men vierhonderd-en-veertig mannen, en onder dezelve omtrent tweehonderd matrozen, met hunne wapenen in de booten en sloepen, die men met kleine stukjes geschut had voorzien. Over de

Sluiten