Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den dag voort, en zocht de Engelschen, met hunne Negers te naderen, die al schietende weken, en van de Hollanders voet voor voet werden gevolgd. Sommigen meenden dat men in en omtrent Adja moest vernachten, of ten minsten 't volk daar wat doen rusten. Midlerwyl zag men zes van 's Lands oorlogsschepen, te weten, de schepen van den Schout-by-nacht Van Nes, den Kommandeur De Wildt en de Kapiteinen Zweers, Jan van Nes, Swart en Pomp, op De Ruiters order zeil maken, en binnen schots van Kormantyn loopen, daar ze 't anker in den grond smeten en op 't kasteel begonnen te schieten. Hun was belast, met gestadig en voorzichtig schieten, aan die van Kormantyn en de Buitennegers, die 't met hun hielden, alle mogelyke afbreuk te doen: doch 't Hollandsch volk te myden, en onder 't stormen straks op te houden. Zy volgden hunnen last en beschoten 't kasteel met al hun geschut, zoodat men er de stukken zag afstuiven, zonder het nochtans zeer te beschadigen. Van der Zaan ondertusschen met het volk omtrent Adja komende, vond daar alles gevlucht en geen zoet water. Men hield daar een weinig halte, en Krygsraad. Toen werd, na kort beraad, besloten, voort te trekken tot aan den naasten berg voor 't kasteel en daar achter te blyven staan, tot het aanbreken van den dag. Daar onder komende, ging de Kommies Hubrecht van Gageldonk, Opperhoofd van 't kasteel Nassau, nevens eenige vrywilligen, daar zich Joris Andringa, te dier tyde Schrijver op het schip van den Kommandeur Gideon de Wildt, bijvoegde, ter zyden op den berg, om te zien hoe 't daar gesteld was. Hier werden ze de vyanden terstond gewaar, die vuur op hen gaven en zy op hen; ook begonnen de Hollandsche Negers van del Mina en Mourée met hun te schermutseeren. Te dier

Sluiten