Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de stormladders droegen, kort op elkander te volgen, om hen, als 't op een stormen ging, hij der hand te hebben. Dus voort gaande, vonden ze op den weg groote tegenstand, inzonderheid van de Kormantynsche Negers, aangevoerd door hunnen Overste Jan Kabesse, dien feilen vijand der Hollanders, een dapper oorlogsman. Zij lagen verspreid in de vallei en 't kreupelbosch, gelijk men in 't koren leit, daar ze, zonder ophouden, met musketten uit schoten. Doch de Mynsche en Moureésche Negers bekropen hun, gelijk men een vogel bekruipt, om hen te verjagen: en de Hollandsche soldaten en matrozen drongen zoo sterk aan, dat ze zich eindelijk in hunne Negerij begaven. Van waar ze, zonder dat hun de moed bezweek, telkens uitvielen. Maar eindelijk, toen hun de aanvechting te zwaar viel, moesten ze wijken, en de Mynsche en Moureésche Negers vielen daarop in de Negerij, of het dorp, dat onder 't kasteel lag, en staken der aan alle hoeken den brand in. Dit gaf den aanvechteren groot voordeel, nadien de vlam en rook hunnen vijanden 't gezicht benam. Het kasteel gaf toen van alle kanten vinnig vier, en schoot met kogels en schroot op de aankomende Hollanders, die zich in al 't gevecht zoo mannelijk droegen, dat de Engelschen en Zwarten zich ten hoogsten over hunne onversaagdheid verwonderden. Zij trokken toen, bedekt en begunstigd van de rook, in der ijl onder 't geschut en de muren. Van waar ze gedurig met hunne musketten op de Engelschen, die op de muren stonden, om weêr te bieden, schoten, onder welk schieten de stormladders werden aangebracht en opgericht. Maar zoo haast als de matrozen begonnen op te klimmen, en met handgranaten te werpen, ontzonk den Engelschen de moed, en zij riepen, zonder meer weêr te bieden,

12

Sluiten