Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hasselaar, uit het Burgermeesterlijk en manhaftig geslacht der Hasselaren gesproten, die twee moederlooze dochterkens, geteeld bij een dochter van den Burgemeester en Schout Gerard Hasselaar, aan land liet, vocht met veertig matrozen, allen met Engelsche mutsen met rood fluweel gestoffeerd, op het schip De Beschermer, onder Kapitein David Swerius, in 't eskader van den Luitenant-Admiraal De Ruiter, maar bekocht zijn «ver met zijn bloed en had de eere van met een edelen dood, door een kogel getroffen, voor 't vaderland op 't bed van glorie te sterven. De tweede, Koenraad van Heemskerk, een zoon van wijlen den geleerden Raadsheer Johan van Heemskerk en een zuster van den Burgemeester Koenraad van Beuningen, door zijn welsprekendheid en verscheiden Gezantschappen vermaard, was met vijftig bootsgezellen, alle met Engelsche mutsen met blauw fluweel gevoerd, op het schip van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, de Dolphijn, daar hy zijn manhaftigheid toonde, en er 't leven ongekwetst afbracht. De derde, Johan Bergh, Rechtsgeleerde, uit eerlijken stamme van Naarden afkomstig, maar een inwoner en Vaandrig der burgerij te Amsterdam, hield zich met acht matrozen, alle met groen of grauw gestoffeerde Engelsche mutsen, op het schip de stad Utrecht, gevoerd b\j den Kapitein Johan Bont, onder 't smaldeel van den Vice-Admiraal De Liefde. Deze had ook het geluk van zijn stoutheid te overleven en 't gevecht na te vertellen. De Ruwaard van Putten, die, zoo lang hij in zee was geweest, met zinkingen werd gekweld, had te dezer tijd eenig ongemak aan zijn been. Hij liet derhalve een groen fluweelen leunstoel voor de bovenhut brengen, daar hij zich, op een fluweel kussen, (daar 't wapen van den Staat op stond geborduurd) als h*j vermoeid van staan was, nederzette.

Sluiten