Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verte staan, ontzag inboezemen en begoochelen; want, ziet gij, de menigte blijft altijd gelooven aan spoken, vooral als zij somtijds de verschijningen ziet, en als die blinken van den schijnglans van macht, die zij niet bezitten, en niet weten te gebruiken, en van eene Majesteit, die nergens in bestaat, dan in den purperen mantel. Gij, mijne heeren! die beide Vorsten van nabij hebt gezien, zegt mij, zijn zij meer?"

D'Erlanges wreef goedkeurend lachende de handen ; zijne verhouding tot den kring van jonge lieden, die XVIII eene partij vormden tegenover de hofpartij, maakte hem gemeenzaam met, en deelgenoot van zulke gevoelens ; de Sainbertöt was meer ernstig op het punt, en antwoordde :

„Het is zoo, sommige Vorsten van onze eeuw zijn niet veel meer; het is een droevig tijdperk; de Keurvorst van Saksen, de Duitsche Bondvorsten, Filips de Vde van Spanje mogen zoo zijn; maar wij hebben uitzonderingen — onze groote Lodewijk!"

,,Lodewijk XIV !" riep de Sieur, en hij borst uit, niet in een satirieken lach, maar in een gul, burgerlijk geschater. ,,Lodewijk XIV! die zich verbeeldt, dat hij Bontemps regeert! Weet gij, wat dat is, Lodewijk XIV ? Maar gij weet het niet, en gij behoort dat ook niet te weten, en ik mag het u ook niet zeggen, — want — wij zijn immers zijne onderdanen ? en daarbij Diana lacht mij uit over mijn ernst."

„Neen. waarlijk niet, beste vader! want als gij zóó gesproken hebt, grijpt uw lachen mij aan, totdat ik schreien moet I"

,'Dan zullen wij over iets anders spreken, mijn kind! De Ridder d'Erlanges komt van Parijs; hij moet XIII Boileau kennen, hij ziet den jongen Voltaire — hij heeft XIV XVII Racine ontmoet, hij zal u kunnen vertellen van alles wat er in de Letteren omgaat. Zonder Armande te zijn,

Sluiten