Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI vrouw de Maintenon met Scarron gehuwd was, voordat zij des Konings echtgenoot was," ging hij voort, den Sieur aanziende; „maar dat eerste huwelijk herinnert zij zich niet gaarne, en de naam van dien roemrijken gemaal wordt door eene stilzwijgende overeenkomst nooit meer aan het Hof uitgesproken, vroeger nog wel door Mijnheer d'Aubigné, een origineel, die de broeder was van Mevrouw, en om zijne zotte uitvallen in St. Sulpice werd weggeborgen. Maar ondanks dat alles, gelooft Mevrouw de Maintenon nog vast aan het vernuft en het talent van haren overleden man, die zoo wat dichter was, en tooneelspelen maakte ; dit moet gezegd worden tot recht begrip van de aardigheid. Daar is nu de goede Racine gezeten bij het hooge paar (want hij zit, ofschoon er Graven en Markiezen staan), en leest hun een treurspel voor, welk weet ik XIII niet recht, maar misschien was het Bérénice, — wel, dat het recht vervelend moet zijn, als Pradon mij heeft gzegd, ten minste het verveelde den Koning; Mevrouw de Maintenon zag het dezen aan, en bij gevolg verzocht zij den dichter zijn boek toe te doen, en lokte hem uit tot spreken over letteren, over poëzie, over tooneel — dat haar maar al te wel gelukte, zooals gij hoor en zult; want toen de dichter ééns op zijn stokpaardje voortreed, vergat hij Koningin en machten, Lodewijk XIV en de vrouw, die dezen beheerscht, en al het andere ; rennend in vollen galop zegt hij opeens : „Wij zijn gelukkig de tijden voorbij, dat die flauwe Scarron, met zijne stukken zonder vernuft of talent, den smaak van het publiek bedierf." Gij kunt u de uitwerking denken: de Koning zweeg en durfde de weduwe Scarron niet aanzien die purperrood, met loensche blikken naar den grond zag. Toen had Racine begrepen ! niemand sprak een enkel woord; ieder van die drie personen was evenzeer met zijne houding ver-

Sluiten