Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

legen, en de dichter wist ten laatste niets beters te doen, dan zijn afscheid te nemen,"dat hem allerkoelst werd gegeven. Men zegt, dat hij er niet weêr terug geweest is. Dat zou eene aanwinst zijn voor Chantilly!" XVI

„Ik vind Mevrouw de Maintenon klein en onverstandig, niet waardig Racine's bijzijn, zoo zij hem zulk eene verstrooiing niet kan vergeven. Mij dunkt, al maakte Mr. Despréaux een hekeldicht op mijn kreupelen voet, XIII ik zou lachen, als het zoo geestig was, als sommige zijner aardigheden tegen Cotin."

Op dit gezegde van Diana, een bewijs, hoe volstrekt onbekend zij was met de gewone kleine kunsten der vrouwen, om te bevallen, daar zij zoo geheel ongevergd twee jongelieden een gebrek herinnerde, waarvan het meest natuurlijk was, dat zij het ontveinsd zouden hebben, of getracht te verbloemen en te doen vergeten — kleurde Graaf de Sainbertót sterk; hij verbeeldde zich, dat d'Erlanges hem glimlachend moest aanzien, doch deze, die der jonge Dame zeker eene aardigheid zou gezegd hebben, zoo de Sieur met zijn onverbiddelijken haat tegen de vleierij niet daar ware geweest, sprak nu ernstig: „Ik verzeker u, Mejuffer! dat gij wel de eenige vrouw zoudt zijn, die zoo iets zou kunnen vergeven."

„Daarvoor zijn de overige dan ook dwaas, en hebben eene kans te meer om ongelukkig te worden," viel de Sieur schielijk in.

„Ik weet niet, hoe andere vrouwen zijn, Mijnheer!" hernam Diana; „want ik zag nooit dan de eerwaarde zusters van het klooster, waar ik als kind leefde, en de vrouwen, die mij dienen, en met welke ik niets dan het noodige bespreken mag."

„Die afzondering heeft zeker groote voordeelen," antwoordde d'Erlanges; „maar zij kan ook hare nadeelen hebben, in gebrek aan menschenkennis, aan

Sluiten