Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gastheer. Toen Jeröme de waslichten had aangestoken op de twee zilveren armblakers nevens den grooten kapspiegel, bood hij den Edellieden zijne diensten als kamerdienaar; maar zij hadden haast alleen te zijn, en zij ontsloegen hem, nadat d'Erlanges hem verzocht had, den volgenden morgen een huurrijtuig voor hem te ontbieden, dat hem naar Tours kon brengen. Nauwelijks had de bediende zich verwijderd, of de Sainbertót wierp zich in een der grootste armstoelen, en zag zijn vriend uitvorschend aan, als wilde hij hem vragen : „Welnu, wat zegt gij ?"

„Zonderling! allervreemdst!" riep deze uit. „Alles is mij nog meer raadselachtig, dan toen ik hier binnentrad."

„En toch kan men niet zeggen, dat die man zich verbergt. Integendeel, hij heeft oogenblikken van zelfvergeten, die hem gevaarlijk konden zijn, zoo zij minder toegenegene getuigen hadden gehad."

„Ja ! want ook mij heeft hij geheel veroverd. Ik zou mij in de Bastille laten zetten, eer ik één woord sprak, dat hem schaden kon."

„En Diana?" viel de Sainbertöt in, weêr met zijn vragenden blik.

„Die Diana is eene tooverheks, en waarachtig, als zij u een minnedrank heeft ingegeven, wat ik eerst dacht, heb ik er ook eene goede teug van genomen. Geheel natuur, ongekunsteld tot in haar luiden lach toe, en toch niet de nuchterheid van eene dorpelinge, noch de stijfheid eener nieuwelinge, door kloosterzusters opgevoed, en van de wereld afgesloten. Bij al hare ongemaaktheid, bij al hare overtredingen van den gewonen vorm, heeft zij op mijn woord een goeden toon, en hare bêtises19) zelfs zijn aanbiddelijk."

„Juist, want zij zijn de onoverlegde uitdrukking

Sluiten