Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Welnu, wat weet gij?"

,,Niets — en veel, Armand! maar ik mag niets zeggen," hernam deze ernstig, drukte hem de hand en steeg in het rijtuig.

„Aan mij niet?" riep de jonge Graaf.

„Zelfs aan u niet, of het moest zijn, neem Diana, als men haar geven wil!" herhaalde d'Erlanges, en gaf bevel om voort te rijden.

Die opwekking had de jonge man niet noodig, om zijn besluit van den vorigen avond te volvoeren. Nadat zijn vriend hem zoo was ontsnapt, ging hij rechtstreeks naar de kamer van zijn gastheer, dien hij samen vond met den kamerdienaar, te midden van zijne boeken en bouwkundige plannen, en die hem, op zijn verzoek om een afzonderlijk onderhoud, met ernstigen eenvoud antwoordde: „Dan zal ik Diana laten zeggen, dat zij ons niet mag storen." Nadat hij Jeröme met dit bevel had weggezonden, wendde Frangois zich tot de Sainbertöt, met een blik, die tot spreken uitnoodigde.

„Mijnheer !" begon deze, ,,ik ben de eenige vertegenwoordiger van het Grafelijke Huis der de Sainbertöt's ; mijn vader was Kapitein bij de Garde van Z. M., en sneuvelde eervol in Vlaanderen; mijne moeder was eene Menil-Montant, eene vrouw, die hare betrekking als Staatsdame bij Mademoiselle neêrlegde, toen Mevrouw de Montespan begon te heerschen, en die in deze vrijwillige verbanning de achting der Koningin met zich nam, en de liefde en den eerbied van allen, die haar omringden. Zij stierf twee jaren vóór mijn vertrek naar Savoije. Het kasteel mijner ouders is mijn eigendom, en de landerijen en inkomsten er aan verbonden, maken mijne bezitting uit; naar mijnen stand ben ik niet rijk, maar ik heb genoeg, en meer dan het noodige. Alle leden van mijne familie, zoowel

Sluiten