Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burgers van Madrid, of leden van den kleineren adel, die den Sieur niet kenden, en zoo zij al met eenige nieuwsgierigheid heenzagen naar den schoonen, belangwekkenden man, die daar met zulk een pijnlijk geduld stond te wachten, zij zorgden wel het woord niet tot hem te richten; in eene antichambre is men voorzichtig. Diegenen der bedienden en der hovelingen, die voorbijgingen en hem herkenden, groetten hem beleefd, maar — gingen verder, zij moesten eerst weten hoe hij ontvangen zou worden, eer zij zich met hem inlieten; hij van zijn kant had ook niet ééne poging gedaan, om met hen in aanraking te komen, en het is veeleer zeker, dat hij zou hebben teruggestooten, wie hem had willen naderen.

Toen Lanty ten laatste al de vreemden wegdreef, met de stellige verzekering, luide uitgesproken, dat voor heden niemand tot den Koning zou worden toegelaten, en de Sieur Frangois alleen nog overbleef, herhaalde hij als persoonlijk tegen dezen, en alsof hij hem niet kende:

„Mijnheer! de Koning zal geen gehoor geven, den ganschen dag niet."

„Ik heb mij laten aandienen bij Mevrouw de Prinses Orsini," had Frangois geantwoord, koel doch met nadruk, „en ik zal blijven, totdat ik word opgeroepen."

Terwijl hij dat uitte, was Alberoni binnengekomen, had met zijne lynxoogen twee scherpe blikken geworpen op de beide sprekenden, en daarna den Sieur naderende, legde hij hem de hand op den schouder en zeide fluisterende:

„Dat zal lang duren, Signor Amico! als gij er geen beteren zet op weet dan dezen hier."

De Sieur zag hem aan met oogen, die toorn en verwondering uitdrukten.

Sluiten