Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het is de Graaf Emmanuel de Sainbertöt." „De Sainbertöt!" herhaalde de Prinses, alsof zij zich iets herinnerde, „de Sainbertöt!" en een donkerrood vloog haar over het voorhoofd; — „een jong mensch, die in Savoije is geweest? —"

„Juist, Mevrouw! zet hem dat vooruit in uw gevoelen, of benadeelt het hem?"

„Noch het een, noch het ander. Eene goede familie, die Sainbertót's," ging zij voort; maar zij scheen in diep nadenken te vervallen, zoodat zij niet meer dan verstrooid luisterde, toen Frangois vervolgde:

„Eene goede familie, en een jongeling, die zijn geslacht waardig is, dat niet van iederen Edelman is te zeggen. Ik heb hem lang gadegeslagen, en ik weet, dat hij de man is, die Diana zal waardeeren, die haar beschermen zal en leiden en gelukkig maken, die de gebreken van hare opvoeding zal helpen verbeteren en het ongeluk van hare geboorte verbergen. — Hij is niet meer in de eerste jeugd; hij heeft het leven genoten, en hij wenscht niets zoozeer dan een stil, huiselijk geluk, in afzondering van de wereld en op zijn landgoed; zijne fortuin is niet schitterend en hij is in ongenade aan het Hof. Hij zal dus zijne vrouw niet brengen in kringen, waar zij zou misplaatst zijn, waar zij hem belachelijk zou maken en zich zelve ongelukkig. Hij is dus de geschikste, de eenige gemaal dien ik voor mijne dochter kan wenschen."

De Prinses, die ten laatste weder had toegeluisterd, viel nu in: „Gij hebt volmaakt gelijk, Mijnheer d'Aubigny! zoo zij slechts uwe dochter ware. Die de Sainbertöt zou zelfs in dat geval met zijne ongenade aan het Fransche Hof, zijne ongelukkige incartade34) aan het Savooische, en zijn voornemens van landhuishoudkunde eene zeer goede partij zijn; — maar nu zij ook m ij toebehoort zijn er hoogere

Sluiten