Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkoos hij eene wandeling door Madrid boven de opsluiting in een bedompt huurrijtuig, vooral in de stemming, waarin hij zich bevond, en die hem ook bij dit teruggaan de nauwere straten deed vermijden, om liever onder het frisch geboomte van het Prado zich te herstellen, en te overwegen, hoe hij zijne oprechtheid tegenover den Sieur Frangois vereenigen zou met het vertrouwen der Camarera-Major, eer hij tot den eersten terugkwam. Maar die tijd tot nadenken zou hem niet gegund zijn; een jong mensch in Fransche kleeding schuift dicht langs hem voorbij zonder dat hij het opmerkt, ziet hem met eenige verwondering aan, herhaalt dien blik, wendt zich om en steekt hem op eenmaal de hand toe met een: „Par Dieu, Sainbertöt wat doet gij te Madrid?"

„D'Erlanges! d'Erlanges!" hernam hij met zooveel verwondering, alsof hij niet te voren had geweten, dat deze eerder dan hij zelf de reis naar Spanje had aangenomen, en de Ridder zeide ook lachende: „Welnu, ja! dat Ik hier ben, is nog het vreemdste niet van de zaak; maar gij, mijnheer de Landedelman! die zulke groote plannen hadt van afzondering en huiselijke rust — gij, op onmetelijken afstand van uw kasteel; op eene buitenlandsche reis; in de Spaansche residentie! Gij, mijnheer de verliefde! op zoo ontelbare mijlen afstand van de godes van uw hart, dat zelfs de vleugelen Amor's er u in geene twee dagreizen zouden brengen! Hoe komt dat? Wat zit daar achter? En nog wel incognito, naar allen schijn; anders zoude men in onze Fransche c ó t e r i e 6°) van uwe tegenwoordigheid weten; gij hebt hier immers nog kennissen?"

„O, meer dan noodig isI" hernam de Sainbertöt met eenigen schrik; ,,maar kom met mij, ik zal u dit alles ophelderen, ten minste zoover ik mag!"

Sluiten